Driftbuien en somatische klachten
David H. Rubin, MD
Zeno is een jongen van 8 jaar die door zijn moeder wordt aangemeld bij de polikliniek kinderpsychiatrie vanwege toenemende driftbuien en lichamelijke klachten zonder aanwijsbare oorzaak. Moeder vertelt dat de klachten lijken samen te hangen met de nachten die Zeno bij zijn tante doorbrengt, ook een alleenstaande moeder met een zoon van de leeftijd van Zeno. Zeno heeft al vanaf zijn geboorte een goede band met zijn tante, maar gaat pas sinds kort elke vrijdagavond bij zijn tante logeren, als zijn moeder avonddienst heeft op haar werk.
Twee maanden geleden zijn de hoofdpijn en misselijkheid op vrijdag, en het klagen dat het huis van zijn tante ‘eng’ is, begonnen. Zeno is wel blijven gaan, zij het met tegenzin, al heeft hij zijn moeder één keer vanaf het huis van zijn tante gebeld, met de eis dat ze hem moest komen ophalen, waaraan hij toevoegde: ‘Andere kinderen wonen ook elke dag van de week in hun eigen huis.’
Sinds een paar weken heeft Zeno de gewoonte om als het tijd is om naar zijn tante te gaan, te gaan gillen en zich te verstoppen. Daardoor is zijn moeder nu bezorgd dat er tijdens een van de bezoeken aan tante ‘iets’ met Zeno is gebeurd. Ze kan dit echter lastig rijmen met het feit dat Zeno er geen bezwaar tegen heeft om zijn tante en neefje ergens anders te ontmoeten, en het ook niet erg vindt als zijn neefje bij hem komt logeren. Haar zus is altijd ‘een goede moeder’ geweest en is, als Zeno bij haar logeert, altijd thuis. Ze heeft wel een vriend, maar moeder heeft de indruk dat Zeno op hem gesteld is. En hij lijkt altijd erg blij als hij met zijn neefje en de vriend van zijn tante naar het park of naar een honkbalwedstrijd gaat.
Zeno heeft op jongere leeftijd nooit opvallende gedrags- of emotionele problemen of problemen met separatie gehad. Hij heeft alle ontwikkelingsmijlpalen op tijd gehaald. Behalve het consultatiebureau en één arts voor een forse luchtweginfectie toen hij 3 jaar was, heeft hij nooit een arts bezocht. Wel is Zeno’s nachts nog niet zindelijk, en plast hij ongeveer twee keer per week in bed. Overdag is hij niet onzindelijk en heeft hij ook geen last van obstipatie. De kinderarts heeft hem verteld dat dit ‘normaal’ is voor een jongen van Zeno’s leeftijd. Moeder heeft nooit echt een punt gemaakt van het bedplassen, en Zeno heeft eerder nooit laten merken er erg onder te lijden.
De familieanamnese is aan moeders kant negatief voor alle psychische stoornissen, en moeder geeft aan dat haar eigen ontwikkeling, voor zover haar is verteld, normaal is verlopen. Over de ontwikkeling of familieanamnese van Zeno’s vader weet moeder maar weinig, en ze heeft hem sinds de geboorte van Zeno niet meer gezien.
Bij het status-mentalisonderzoek stelt Zeno zich coöperatief op en ziet hij er weldoorvoed en goed verzorgd uit. Hij heeft er weinig moeite mee om van zijn moeder gescheiden te worden. Na in eerste instantie even aan de onderzoeker te moeten wennen vertelt hij vrijuit, met een woordenschat die bij zijn leeftijd past. Ook het oogcontact onderhoudt hij op een manier die bij zijn leeftijd past. Zijn affect is aanvankelijk enigszins angstig, maar daarna kalmeert hij snel. De angst komt alleen terug als er over de logeerpartijen wordt gesproken, en Zeno een beetje onrustig begint te bewegen, de onderzoeker minder aankijkt en blijk geeft van een lichte irritatie jegens zijn moeder. Gevraagd naar het bedplassen lijkt Zeno in verlegenheid gebracht. Hij zegt dat hij bij zijn tante een paar keer in zijn bed heeft geplast en dat zijn neefje en de vriend van zijn tante hem daarmee hebben geplaagd. Zijn tante is toen wel tussenbeide gekomen, maar Zeno vertelt dat hij ‘bang’ is dat het nog een keer zal gebeuren.