Altijd onder spanning
Ryan E. Lawrence, MD; Deborah L. Cabaniss, MD
Patty van Ittersum is een 41-jarige administratief medewerkster die door haar huisarts naar een ambulante ggz-instellng wordt verwezen met als voornaamste klacht: ‘Ik sta altijd onder spanning.’ Ze woont alleen, is nooit getrouwd geweest en heeft geen kinderen. Ze is nooit eerder bij een psychiater geweest.
Tot acht maanden geleden woonde patiënte samen met haar vaste vriend, die toen plotseling een einde aan de relatie maakte en iets begon met een jongere vrouw. Kort daarna begon patiënte te piekeren over routinetaken en werd ze bang fouten te maken op haar werk. Ze voelde zich ongewoon gespannen en vermoeid. Ze kreeg moeite haar aandacht ergens bij te houden. Ze begon zich ook enorm zorgen te maken over geldzaken en om te bezuinigen is ze naar een goedkoper appartement in een minder gewilde buurt verhuisd. Ze zocht steeds weer geruststelling bij haar collega’s op kantoor en bij haar moeder. Niemand leek haar te kunnen helpen en ze maakte zich zorgen dat ze ‘anderen te veel tot last was’.
Sinds de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek, gaat patiënte ’s avonds zo min mogelijk de deur uit omdat ze bang is dat er iets ergs zal gebeuren en ze dan niemand om hulp zou kunnen vragen. Sinds kort wil ze liefst ook overdag niet meer het huis uit. Ze voelt zich ook ‘open en bloot, en kwetsbaar’ als ze naar de nabijgelegen supermarkt loopt, en vermijdt daarom boodschappen te doen. Ze vertelt dat ze erachter is gekomen dat ze haar boodschappen kan laten thuisbezorgen, en zegt dan: ‘Het is belachelijk. Ik heb echt het gevoel dat mij in één van de gangpaden iets vreselijks gaat gebeuren en dat niemand me dan zal helpen, en daarom ga ik er niet eens in.’ Wanneer ze weer terug in haar flat is, kan ze zich ontspannen en genieten van een goed boek of een goede film.
Ze zegt dat ze ‘altijd al een beetje nerveus’ is geweest. Tijdens de kleuterschool was ze vaak ontroostbaar toen haar moeder haar naar school probeerde te brengen. Patiënte vertelt dat zij op 10-jarige leeftijd na de scheiding van haar ouders counseling heeft gehad, omdat ‘mijn moeder vond dat ik me te veel aan haar vastklampte.’ Ze voegt daaraan toe dat ze het nooit prettig heeft gevonden om alleen te zijn en dat ze sinds haar 16de voortdurend (soms overlappend) vriendjes heeft gehad. Patiënte legt uit: ‘Ik heb er een hekel aan om single te zijn en ik werd altijd knap gevonden, dus ik was nooit lang alleen.’ Desalniettemin had ze, tot het kortgeleden uitging met haar vriend, altijd het idee dat het ‘prima’ met haar ging. Ze deed het goed op haar werk, ging dagelijks joggen, had een vaste vriendenkring en had ‘eigenlijk niets te klagen’.
Bij de tractus-mentalisanamnese vertelt patiënte dat ze zich een paar weken verdrietig heeft gevoeld nadat haar vriend was vertrokken, maar ze heeft zich nooit nutteloos, schuldig, hopeloos, anhedonisch of suïcidaal gevoeld. Haar gewicht is volgens haar onveranderd gebleven en ze slaapt goed. Er is volgens patiënte geen sprake van psychomotorische veranderingen. Ze geeft wel aan zich buitengewoon angstig te voelen, en heeft een angstscore van 28 op de Beck Anxiety Inventory (BAI), wat een ernstig niveau van angst aanduidt.