Stress en mid­de­len­mis­bruik

    Li Jin, DO; Daryl Shorter, MD; Coreen Domingo, DrPH; Thomas R. Kosten, MD

    Stefan Youssfi is een 30-jarige universitair student van gemengd Nederlands-Marokkaanse afkomst die zich aanmeldt voor onderzoek van zijn chronische stem­mings­in­sta­bi­li­teit. In de afgelopen vijf jaar, sinds zijn terugkomst uit Afghanistan, waar hij als militair naar is uitgezonden, zijn deze symptomen niet alleen aanwezig gebleven maar ook verergerd. Patiënt zegt vóór zijn uitzending geen psychiatrische symptomen van betekenis te hebben gehad. Tijdens zijn uitzending was hij werkzaam in het transport, en hoewel hij dus niet direct bij oor­logs­han­de­lin­gen betrokken was, heeft hij ‘meerdere kameraden verloren’. Hij ‘praat niet graag over dit soort dingen’, maar zijn vrouw heeft erop aangedrongen dat hij dat wel gaat doen.

    Tijdens het intakegesprek vertelt patiënt dat zijn stemming ‘neerslachtig’ is. Hij heeft het grootste deel van de tijd het gevoel dat hij ‘slaapwandelt’, en genieten van zijn vrouw of twee kinderen lukt hem niet. Hij vertelt dat hij zich rusteloos voelt en onnodig op zijn hoede is wanneer hij zich in openbare gelegenheden begeeft. Autorijden vermijdt hij, en dan vooral het oversteken van bruggen, en het liefst blijft hij ‘dicht bij huis’. Zijn nachtrust wordt geregeld verstoord door levendige, nare dromen over ‘bommen en landmijnen’. Na een paar jaar van werken onder zijn niveau, deels als gevolg van deze symptomen, heeft zijn vrouw hem ervan kunnen overtuigen om weer te gaan studeren, zodat hij in de toekomst betere kansen op werk heeft.

    Patiënt vertelt dat hij sinds zijn terugkeer uit Afghanistan moeite heeft om zich te concentreren. Aanvankelijk bood cocaïne uitkomst tegen dit probleem, maar naarmate zijn cocaïnegebruik meer uit de hand liep, ging het studeren hem steeds moeilijker af. Patiënt vertelt dat hij schuldgevoelens heeft over zijn seksuele gedrag als hij cocaïne gebruikt, maar heeft geen gevoelens van waardeloosheid of hopeloosheid. Lang geleden is er sprake geweest van passieve suïcidaliteit (‘vluchtige gedachten’), maar actieve suïcidale gedachtevorming en suïcidepogingen heeft hij niet gehad. Zijn eetlust is goed en hij zegt geen ervaring te hebben met paniekaanvallen, manie, een psychose of obsessieve-compulsieve symptomen. Hij is nooit eerder opgenomen in een psychiatrische kliniek of ambulant in behandeling van een psychiater geweest. Afgezien van alcoholmisbruik bij de vader van patiënt is de psychiatrische familieanamnese negatief.

    Patiënt dronk op 14-jarige leeftijd voor het eerst alcohol in het weekend. Al op jonge leeftijd had hij een hoge tolerantie en had hij vijftien glazen alcohol nodig om ‘dronken te worden’. Eenmaal in het leger liep het alcoholgebruik volgens patiënt sterk op en ‘liep het misschien een beetje uit de hand’; in die tijd had hij geregeld een black-out. Na zijn ontslag uit het leger dronk hij meestal eens in de twee tot drie dagen zo’n vijftien glazen alcohol, maar soms ook meer. In perioden van zwaar gebruik had hij ’s morgens soms een tremor die verdween als hij iets dronk. Andere ont­trek­kings­symp­to­men heeft patiënt niet, maar het ’s morgens drinken herinnert hem aan zijn vader, die op de leeftijd van 56 jaar uiteindelijk overleed aan levercirrose, zodat hij ertoe over is gegaan om alleen nog in het weekend te drinken. Sinds hij frequent cocaïne gebruikt is hij alcohol gaan gebruiken om ‘down’ te komen van de ‘high’ van de cocaïne. Een voor­ge­schie­de­nis van problemen met justitie of arrestaties door de politie zegt hij niet te hebben.

    In zijn mid­del­ba­re­school­tijd is patiënt begonnen met het roken van cannabis in sociaal verband, nooit vaker dan twee keer per maand. In het jaar voorafgaand aan dit onderzoek heeft hij ervaren dat cannabis hem helpt tegen de slapeloosheid, en hunkerde hij er elke avond naar. Zijn vrouw maakt hier bezwaar tegen omdat ze het vervelend vindt als hun kinderen het cannabisgebruik ontdekken. Ondanks de dagelijks terugkerende ruzies is hij het blijven gebruiken, omdat hij met cannabis de grootste kans heeft om te kunnen slapen zonder nachtmerries.

    De drug waar zijn grootste voorkeur naar uitgaat is volgens patiënt toch de cocaïne. Dit middel heeft hij een paar jaar nadat hij de militaire dienst had verlaten voor het eerst gebruikt. Meestal ‘snuift’ hij het middel, maar hij heeft ook weleens ge­ëx­pe­ri­men­teerd met het roken van crack. Hij zegt nooit intraveneus drugs te hebben gebruikt. Het afgelopen jaar is het bedrag dat hij wekelijks uitgeeft aan cocaïne opgelopen tot € 200,00 per week, en hij beleent tegenwoordig weleens spullen en blijft geregeld weg van colleges en zijn werk, dat laatste vooral als hij zich somber voelt na het cocaïnegebruik. Hoewel zijn vrouw niet op de hoogte is van zijn cocaïnegebruik of de rol daarvan in zijn functioneren, zit er de laatste tijd weinig schot in zijn studie en is hij al minstens drie banen kwijtgeraakt als gevolg van absenties in verband met de cocaïne. Het afgelopen jaar is patiënt om de kosten te drukken begonnen met het gebruik van fencyclidine (PCP). Hij heeft de gewoonte ontwikkeld om zijn joints (met cannabis) alvorens ze te roken te dompelen in PCP.

    Daarnaast gebruikt patiënt andere middelen als hij er gemakkelijk aan kan komen, meestal op feestjes. Het gaat dan om ecstasy (in totaal ongeveer tien keer gebruikt), benzodiazepinen (in totaal ongeveer twintig keer gebruikt) en op recept verkrijgbare opioïden (in totaal ongeveer vijf keer gebruikt). Verder rookt hij vanaf zijn zestiende jaar drie tot vijf sigaretten per dag. Zijn pogingen om met roken te stoppen zijn door de persisterende hunkering en de ont­trek­kings­symp­to­men mislukt.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.