Angst en cirrose
Andrea DiMartini, MD; Catherine Crone, MD
Er wordt een psychiatrisch consult aangevraagd ten behoeve van Roeland Jekkers, een 50-jarige getrouwde man zonder psychiatrische voorgeschiedenis, die in aanmerking komt voor een orthotope levertransplantatie (OLT) vanwege ernstige cirrose. Enkele weken eerder is hij opgenomen met een acute alcoholhepatitis en werd hij gediagnosticeerd met eindstadium leverfalen. Voor de behandeling van zijn alcoholhepatitis werd 40 mg/dag prednisolon voorgeschreven. Voordat hij in het ziekenhuis werd opgenomen, was hij zich er niet van bewust dat hij zijn gezondheid door het drinken zo ernstig had geschaad en hij is enorm geschrokken toen hij hoorde dat hij uiteindelijk een levertransplantatie nodig zal hebben. Na zijn ontslag is hij met een detoxificatieprogramma begonnen, dat verplicht was om op de wachtlijst voor orgaantransplantatie te komen.
Het verzoek om een psychiatrisch consult komt van het transplantatieteam na bezorgde berichten van de familie dat patiënt steeds prikkelbaarder en angstiger is geworden en moeite lijkt te hebben om aan de vereiste voorwaarden voor de transplantatie te voldoen. De huisarts van patiënt heeft kortgeleden tegen zijn angst alprazolam 0,5 mg zo nodig voorgeschreven. In eerste instantie heeft die geholpen, maar sinds enkele dagen merken de naasten van patiënt dat hij steeds prikkelbaarder, lustelozer en vergeetachtiger wordt.
Tijdens het consult vertelt patiënt dat hij al maanden voorafgaand aan de diagnose vermoeid was en dat dit zijn werk, het bezorgen van goederen voor een verschepingsbedrijf, had bemoeilijkt. Hoewel de diagnose een schok teweegbracht, voelde hij zich ‘prima’ toen hij de eerste keer uit het ziekenhuis kwam, met hernieuwde energie en een gevoel van welbevinden. Een week na het ontslag begon hij zich echter steeds angstiger en rustelozer te voelen. Hij kon zich niet concentreren, sliep slecht en maakte zich voortdurend zorgen over zijn gezondheid, zijn financiën en zijn naasten. Hij hield zich steeds minder met zijn naasten bezig en keek geen films meer, wat hij normaal altijd graag deed.
Bij de tractus-mentalisanamnese antwoordt hij ontkennend op vragen naar nachtmerries, flashbacks, vermijdingsgedrag of gejaagd denken. Hij heeft ook geen sombere stemming, huilerigheid, eetlustveranderingen, anhedonie, hulpeloosheid, hopeloosheid en suïcidaliteit. Hij voelt zich wel soms schuldig over zijn alcoholgebruik en de impact die dit op hemzelf en zijn naasten heeft. Hij zegt niet meer te hebben gedronken nadat hij opgenomen is geweest. Hij is boos omdat hij een detoxprogramma moet volgen en vertelt dat hij daarover met het transplantatieteam een meningsverschil heeft gehad. Voorheen had hij van zichzelf het idee dat hij vrijwel alles in zijn leven aankon zonder dat hem ooit iets te veel werd. Zijn naasten zijn het met deze omschrijving eens en vinden zijn gedrag van de laatste tijd ongewoon.
Bij het status-mentalisonderzoek wordt een magere, vermoeid ogende, licht icterische man gezien. Hij maakt goed oogcontact en geeft adequaat antwoord op vragen, maar maakt veelvuldig opmerkingen als: ‘Er is iets niet in orde’ en ‘Het zit niet allemaal in mijn hoofd’. Hij maakt een afwezige indruk maar is niet verward of gedesoriënteerd. Hij heeft geen wanen of hallucinaties. Zijn denken is logisch en coherent, niet gedesorganiseerd; hij geeft antwoord zonder pauzes te laten vallen. Zijn affect is angstig en prikkelbaar, en hij spreekt bondig. Zijn gang is normaal, maar hij kan niet rustig op een stoel blijven zitten. Zijn score op de Mini-Mental State Examination (MMSE) is 26/30, waarbij hij punten mist voor werkgeheugen en op de 100 – 7-test. Zijn score op de Trail Making Test (TMT) A en B bevinden zich binnen de normen, maar hij vraagt om herhaling van de instructies voor de TMT B.