Bespreking
Wesley is door zijn psychiater naar een deeltijdbehandeling voor adolescenten doorverwezen vanwege aanhoudende prikkelbaarheid en ernstige recidiverende driftbuien.
Het is bij de beoordeling van deze 12-jarige jongen van belang om aandacht te besteden aan de aard, ernst, frequentie en duur van zijn uitbarstingen. Wijken deze af van wat kan worden verwacht bij ‘kinderen die zich normaal ontwikkelen’? Door wat voor situaties wordt hij geprovoceerd? Treden de uitbarstingen thuis op, op school, met leeftijdgenoten of in meer dan één situatie? Hoe beïnvloeden deze zijn leven? Hoe voelt deze jongen zich over het algemeen tussen de uitbarstingen door? Blijkt uit de uitbarstingen dat hij zijn emotionele reacties niet kan beheersen of is het berekenend gedrag met als doel een bepaald resultaat te krijgen? Op welke leeftijd zijn deze emotionele uitbarstingen en/of uitbarstingen van gedrag begonnen? Is er sprake van bijbehorende neurovegetatieve depressieve symptomen? Heeft hij ooit manieachtige symptomen vertoond, zoals grootheidsideeën, een verminderde slaapbehoefte, spreekdrang of gejaagd denken? Zo ja, zijn deze symptomen lang genoeg aanwezig geweest om te voldoen aan de criteria voor een manische episode? Maakt hij misbruik van middelen? Heeft hij ooit psychotische symptomen gehad, zoals achterdocht, wanen of enige vorm van hallucinaties?
De hevige prikkelbaarheid van Wesley is ogenschijnlijk persisterend, en zijn uitbarstingen zijn veelal extreem en komen klaarblijkelijk niet overeen met zijn ontwikkelingsniveau. Ze hebben duidelijk een negatieve invloed op alle aspecten van zijn leven. Hij lijkt zijn gedrag niet te kunnen beheersen en zijn prikkelbaarheid en uitbarstingen leveren hem niets positiefs op; sterker nog: wat hij het liefst zou willen veranderen heeft te maken met de symptomen (‘niet meer zo vaak kwaad worden’) of met de consequenties daarvan (‘meer vrienden hebben’ en ‘het beter doen op school’). Deze symptomen zijn sinds de basisschool erger geworden. Er zijn geen opvallende neurovegetatieve symptomen van depressiviteit en hij heeft geen manie, psychoses of middelenmisbruik in zijn voorgeschiedenis. Hij voldoet dus aan de criteria voor de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis (DSDS), een nieuwe classificatie in de DSM-5, die bij de depressieve-stemmingsstoornissen is ondergebracht.
Het belangrijkste kenmerk van DSDS is een chronische, ernstige, persisterende prikkelbaarheid die incongruent is met de ontwikkelingsfase van het kind, en die voor significante beperkingen zorgt. In de DSM-5 wordt dit belangrijkste kenmerk gedefinieerd door twee opvallende klinische manifestaties: frequente ernstige woede-uitbarstingen (verbaal en/of fysiek), en een chronische, persisterende prikkelbare of boze stemming tussen de ernstige driftbuien door.
Hoewel sommige symptomen van DSDS overlappen met die van andere stoornissen, lijkt DSDS een groep jonge mensen te beschrijven van wie het symptoomprofiel afwijkt van andere DSM-5-classificaties en ernstiger is dan de ‘driftbuien’ die bij de leeftijd passen. Ook bipolaire-stemmingsstoornissen kunnen bijvoorbeeld tot interpersoonlijke conflicten en prikkelbaarheid leiden. Kinderen en adolescenten met DSDS vertonen echter niet de kenmerkende symptomen van manie, zoals een verminderde slaapbehoefte, spreekdrang, stemmingswisselingen en gejaagd denken, die langer dan enkele dagen aanhouden. Disruptieve gedragsstoornissen, zoals de oppositionele-opstandige stoornis, periodiek explosieve stoornis en de normoverschrijdend-gedragsstoornis verschillen van DSDS omdat daarbij geen sprake is van een aanhoudende uitgesproken hevige prikkelbaarheid tussen de uitbarstingen door.
Volgens de definitie van de DSM-5 kan DSDS niet gelijktijdig met een bipolaire-stemmingsstoornis voorkomen, en ook niet met de oppositionele-opstandige stoornis of de periodiek explosieve stoornis. Als patiënt ooit een manische episode heeft gehad, krijgt de classificatie van een bipolaire-stemmingsstoornis voorrang boven de classificatie DSDS. Wanneer patiënt aan de criteria voldoet voor de periodiek explosieve stoornis of de oppositionele-opstandige stoornis, maar ook aan de criteria voor DSDS, dient alleen de classificatie DSDS te worden toegekend.
DSDS kan wel met diverse andere stoornissen gelijktijdig optreden. Wesley heeft bijvoorbeeld al lange tijd problemen met aandacht en angst. Op de basisschool heeft hij de diagnose ADHS, gecombineerde type gekregen, wat betekent dat hij aan de meeste criteria voor beide ADHS-categorieën voldeed: symptomen van aandachtsdisregulatie en hyperactiviteit/impulsiviteit. Ook is gemeld dat Wesley vaak piekert. Hoewel dit in de anamnese niet volledig is onderzocht, zou dit kunnen betekenen dat hij voor een angststoornis in aanmerking komt.
Het is belangrijk om Wesley longitudinaal te blijven volgen. Het doel is uiteraard om een zo efficiënt mogelijk diagnostisch onderzoek en behandelplan in te zetten, maar dit kan mogelijk in het kader van Wesleys algehele ontwikkeling nog veranderen. Als adolescent met DSDS zal hij een verhoogd risico houden voor diverse comorbide psychiatrische aandoeningen, zoals stemmings- en angststoornissen en stoornissen in het gebruik van een middel.