Controle over de relatie
Michael F. Walton, MD
Olivier Jansz en zijn vriend Peter Klein komen voor het eerst op het spreekuur voor relatietherapie omdat ze een escalerend conflict hebben rond hun besluit om te gaan samenwonen. Peter vertelt hoe ze maandenlang naar een appartement hebben gezocht en hoe die zoektocht ‘een kwelling’ werd doordat Olivier rigide werktijden had en een ‘eindeloze’ lijst van eisen waaraan een appartement moest voldoen. Het is ze niet gelukt om tot een beslissing te komen en daarom hebben ze uiteindelijk besloten dat Peter bij Olivier zou intrekken in diens appartement. Zoals Peter concludeert: ‘Olivier heeft gewonnen.’
Olivier weigerde een verhuisbedrijf in te huren voor de spullen van Peter en stond erop dat hij persoonlijk ieder item in het huis van zijn vriend inpakte en op een inventarislijst bijhield. Wat in twee dagen had moeten gebeuren, kostte een week. Toen alle spullen eenmaal naar het appartement van Olivier waren overgebracht, werd Peters grootste klacht dat Olivier ‘idiote regels’ had over de plaats waar dingen moesten staan op de boekenplanken, de richting van kleerhangers in de kast, en of hun kleding wel door elkaar mocht liggen. Nog prangender was zijn klacht dat er bijna geen plaats was voor zijn spullen omdat Olivier nooit iets weggooit. ‘Ik ben als de dood dat ik iets belangrijks kwijtraak’, vult Olivier aan.
In de weken daarna hebben ze bijna elke avond ruzie gekregen tijdens het uitpakken van dozen en inruimen van spullen. Wat dit nog moeizamer maakte, was dat Olivier elke avond pas tussen 21.00 en 22.00 uur thuiskwam omdat hij de persoonlijke werkwijze heeft om pas naar huis te gaan ‘als het to-do-lijstje leeg is’. Vaak wordt Peter ’s ochtends vroeg wakker en treft Olivier dan aan terwijl hij grimmig boekenplanken of kasten aan het reorganiseren is of boeken op alfabetische volgorde per auteur zet. Gedurende dit hele proces heeft Olivier aan alles schijnbaar hard gewerkt, terwijl hij steeds minder plezier had en steeds minder afkreeg. Peter voelt zich, naarmate ze langer samenwonen, steeds meer vervreemd van zijn vriend.
Op vragen naar symptomen van depressiviteit en angst antwoordt Olivier ontkennend. Hij zegt nooit te hebben geëxperimenteerd met sigaretten of alcohol en voegt daaraan toe: ‘Ik zou het niet fijn vinden als ik de controle kwijt zou raken.’ Ook op vragen naar psychische stoornissen in de familie antwoordt hij ontkennend. Hij is opgegroeid in een gezin met twee ouders en was op de middelbare school en aan de universiteit een bovengemiddelde student. Hij is enig kind, en heeft in zijn eerste jaar als student pas voor het eerst met andere studenten samengewoond. Dat beschrijft hij als een moeizame ervaring vanwege de ‘conflicterende stijlen’: ‘Zij waren chaotisch en ik wist dat je spullen netjes moet opbergen.’ Halverwege het studiejaar is hij toen verhuisd naar een eigen huurappartement en sindsdien heeft hij met niemand samengewoond totdat Peter bij hem introk. Olivier wordt zeer gewaardeerd door zijn baas en is in de afgelopen twee jaar al drie keer ‘werknemer van de maand’ geweest. Van collega’s en ondergeschikten krijgt hij minder enthousiaste feedback, omdat ze hem te rigide, perfectionistisch en kritisch vinden.
Bij onderzoek wordt een magere, zeer net geklede, brildragende man gezien, met gel in het haar. Hij zit naast zijn vriend op de bank. Hij werkt goed mee aan het gesprek en blijft rustig zitten terwijl zijn vriend het woord doet, maar onderbreekt ook af en toe om hem tegen te spreken. Zijn neurocognitieve functies zijn globaal intact (niet getest). Hij vertoont geen tekenen van depressiviteit. Zijn affect is prikkelbaar. Op vragen naar specifieke fobieën antwoordt hij ontkennend en hij gelooft niet dat hij ooit een paniekaanval heeft gehad. Zijn spraak is normaal van snelheid en intonatie. Aan het eind van het consult merkt Olivier op: ‘Ik weet dat ik niet makkelijk ben, maar ik wil heel graag dat dit goedkomt.’