Studieproblemen

    Rosemary Tannock, PhD

    Conrad, een 19-jarige student in het hoger onderwijs van Duitse afkomst, meldt zich bij een eer­ste­lijns­prak­tijk vanwege problemen met zijn studie. Al sinds het begin van zijn opleiding, een halfjaar geleden, haalt hij slechte cijfers voor tentamens en kan hij het tempo van de studie niet bijbenen. Zijn bezorgdheid over dat hij de studie niet aankan en ermee moet stoppen, leidt tot slapeloosheid, een slechte concentratie en een gevoel van algehele hopeloosheid. Na een bijzonder moeilijke week is hij onaangekondigd naar zijn ouderlijk huis gegaan en heeft hij zijn ouders verteld dat hij overweegt om te stoppen met zijn studie. Zijn moeder is meteen met hem naar de polikliniek gegaan waar Conrad en zijn oudere broer op jongere leeftijd ook al hulp hebben gekregen. Zijn moeder vraagt zich af of de ‘ADHD’ van Conrad misschien de oorzaak is van zijn problemen, of dat hij over de stoornis is heen gegroeid.

    Als jongetje van 9 jaar heeft Conrad deze polikliniek ook bezocht, en kreeg toen de DSM-IV-classificatie aan­dachts­te­kort­stoor­nis met hyperactiviteit (ADHD), gecombineerde type. Uit het dossier van destijds blijkt dat Conrad problemen had op school vanwege het niet opvolgen van instructies, het niet maken van zijn huiswerk, opstaan van zijn stoel, dingen kwijtraken, niet op zijn beurt wachten en niet luisteren. Hij had er moeite mee om zich te concentreren, behalve tijdens com­pu­ter­spel­le­tjes, waarmee hij ‘uren achtereen’ bezig kon zijn. Voor zover bekend is Conrad als peuter laat begonnen met praten, maar zijn geboorte en ontwikkeling zijn verder normaal verlopen. Het gezin is naar Nederland verhuisd toen Conrad 5 jaar was. Vanwege onrijpheid in zijn gedrag en moeite met leren lezen is hij in groep 3 blijven zitten. Er wordt in het dossier niets vermeld over de snelheid waarmee Conrad zijn tweede taal, het Nederlands, heeft aangeleerd.

    Tijdens het onderzoek op 9-jarige leeftijd is Conrad door een klinisch psycholoog getest op de aanwezigheid van leerstoornissen, en hieruit bleek dat er sprake was van problemen met lezen (specifiek met de lees­vloei­end­heid en het leesbegrip). Conrad voldeed echter niet aan de criteria van het schoolbestuur voor een leerstoornis, waarbij er sprake moest zijn van een discrepantie van 20 punten tussen het IQ en de school­pres­ta­ties. Hij kwam daarom niet in aanmerking voor een extra on­der­wijs­voor­zie­ning. De huisarts van Conrad had medicatie geadviseerd, maar moeder wilde dit niet. In plaats daarvan had ze, zo vertelde ze, een extra baan genomen om begeleiders te kunnen inhuren om haar zoon te helpen met ‘concentratie en lezen’.

    Al sinds het begin van zijn studie heeft Conrad tijdens het lezen van studieboeken en het luisteren naar colleges vaak moeite om langere tijd geconcentreerd te blijven. Hij raakt snel afgeleid, en het kost hem daardoor moeite om zijn opdrachten op tijd in te leveren. Hij klaagt erover dat hij zich rusteloos, geagiteerd en bezorgd voelt. Hij vertelt dat hij moeite heeft om in slaap te komen, weinig energie heeft en dat het hem niet lukt om samen met zijn medestudenten ‘lol te maken’. Met die depressieve klachten gaat het in de loop van de week ‘op en neer’, maar deze lijken geen invloed te hebben op zijn con­cen­tra­tie­pro­ble­men. Hij zegt geen middelen te hebben gebruikt.

    Conrad vertelt dat hij op de middelbare school een paar geweldige leraren had die hem begrepen en hielpen om de betekenis te begrijpen van wat hij las, lessen lieten opnemen en opdrachten in een andere vorm lieten inleveren (bijvoorbeeld video’s, wiki’s of visuele presentaties). Op de universiteit voelt hij zich zonder deze ondersteuning ‘eenzaam, dom, een mislukkeling — iemand die het niet aankan’.

    Hoewel zijn mentor op de middelbare school hem dit wel had geadviseerd, heeft Conrad zich op de universiteit niet aangemeld bij de afdeling voor studenten met een beperking. Hij wil liever niet als anders dan zijn studiegenoten worden gezien, en is van mening dat hij de universiteit op eigen kracht moet kunnen doorlopen.

    De familieanamnese van Conrad is positief voor ADHS bij zijn oudere broer. Zijn vader, die overleed toen Conrad 7 jaar oud was, zou ‘dyslexie’ hebben gehad en was na één semester van een hbo-opleiding met zijn studie gestopt.

    Bij onderzoek draagt Conrad een schone spijkerbroek met daarop een T-shirt en een hoodie, die hij steeds over zijn gezicht trekt. Hij zit er stilletjes en in elkaar gedoken bij. Hij zucht veelvuldig en maakt nauwelijks oogcontact met de clinicus. Hij trommelt vaak met zijn vingers en schuifelt in zijn stoel heen en weer, maar hij is wel beleefd en geeft goed antwoord op de vragen die hem worden gesteld. Zijn beheersing van het Nederlands lijkt goed, al spreekt hij de taal met een licht Duits accent. Veel van wat hij zegt komt er mompelend uit en hij spreekt sommige, uit meerdere lettergrepen bestaande woorden verkeerd uit (hij zegt bijvoorbeeld: ‘lieteraltoer’ in plaats van ‘literatuur’ en ‘intimeren’ in plaats van ‘intimideren’). Hij zegt geen suïcidale gedachten te hebben. Op het eerste gezicht heeft hij een redelijk inzicht in zijn problemen.

    Conrad wordt voor ver­volg­on­der­zoek naar een psycholoog doorverwezen. Ook uit de nieuwe tests blijkt dat zijn vaardigheden op het gebied van lezen en schrijven substantieel en kwan­ti­fi­ceer­baar zwakker zijn dan op grond van zijn leeftijd te verwachten valt. Verder wordt in dit on­der­zoeks­rap­port geconcludeerd dat zijn leer­moei­lijk­he­den niet kunnen worden toegeschreven aan een verstandelijke beperking, een ongecorrigeerd probleem van het ge­zichts­ver­mo­gen of gehoor, psychosociale moeilijkheden of een gebrekkige beheersing van het Nederlands, de taal waarin hij onderwijs volgt. De conclusie van dit rapport luidt dan ook dat er sprake is van specifieke moeilijkheden met de lees­vloei­end­heid en het leesbegrip, en daarnaast met de spelling en de schriftelijke uit­druk­kings­vaar­dig­heid.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.