Chagrijnig en prikkelbaar
William C. Wood, MD
Wesley is een 12-jarige jongen die door zijn psychiater naar een deeltijdbehandeling voor adolescenten wordt verwezen vanwege herhaaldelijke conflicten die zowel voor zijn klasgenoten als zijn ouders beangstigend zijn.
Volgens zijn ouders is Wesley over het algemeen chagrijnig en prikkelbaar en is hij bij tijd en wijle een ‘verschrikkelijk monster’. Het is vrijwel onmogelijk om hem grenzen te stellen. Bij het laatste incident heeft Wesley een kastdeur kapot getrapt om bij een videospel te kunnen komen waarmee hij, voordat hij zijn huiswerk af had, niet mocht spelen. Op school staat Wesley erom bekend dat hij om het minste of geringste boos wordt en hij is kortgeleden geschorst omdat hij een andere jongen in het gezicht had gestompt nadat hij een schaakwedstrijd van hem had verloren.
Wesley is altijd een bijzonder actieve jongen geweest, die ‘de hele tijd’ rond rent. Hij is ook een ‘gevoelig kind’ dat zich altijd zorgen maakt dat dingen verkeerd lopen. Zijn frustratietolerantie is altijd lager geweest dan dat van zijn leeftijdgenoten en zijn ouders hebben hem op een gegeven moment niet meer meegenomen bij het boodschappen doen omdat hij steevast overstuur werd als ze niet het speelgoed kochten waar hij zijn zinnen op had gezet.
Op zijn schoolrapporten staat dat hij niet kan stilzitten, snel afgeleid raakt en impulsief is. Toen Wesley 10 jaar was, kreeg hij van een kinderpsychiater de diagnose ADHS, gecombineerde type. Hij kreeg een verwijzing voor gedragstherapie en kreeg methylfenidaat voorgeschreven; dit gaf vermindering van de symptomen. In groep 6 werd zijn humeurigheid meer uitgesproken en hield dit langer aan. Hij was meestal bokkig en beklaagde zich dat het leven ‘oneerlijk’ was. Wesley en zijn ouders begonnen al aan het ontbijt met hun dagelijkse gevecht over huisregels, waarbij hij treuzelde om zich klaar te maken voor school en daarna — ’s avonds — gingen de ruzies weer over het huiswerk, videospelletjes en op tijd naar bed gaan. Bij deze ruzies ging Wesley vaak schreeuwen en gooide hij met alles wat los en vast zat. Tegen de tijd dat hij in groep 8 zat waren zijn ouders moegestreden en gingen zijn brussen hem uit de weg.
Volgens Wesleys ouders heeft hij geen eetlustproblemen en ondanks dat ze veel onenigheid hebben over zijn bedtijd, lijkt hij geen slaapstoornis te hebben. Hij lijkt plezier te hebben in zijn regelmatige activiteiten, heeft een goed energieniveau en heeft geen voorgeschiedenis met uitgelatenheid, grootheidsideeën of een verminderde slaapbehoefte die langer dan een dag aanhoudt. Hoewel zijn ouders hem beschrijven als ‘humeurig, geïsoleerd en eenzaam’ vinden zij niet dat hij gedeprimeerd is. Zij antwoorden ontkennend op vragen of in het verleden sprake is geweest van hallucinaties, misbruik, psychotrauma, suïcidaliteit, homicidaliteit, een neiging tot zelfbeschadiging of enige voorbedachte wens om anderen letsel toe te brengen. Wesley zelf en zijn ouders zeggen dat hij nooit alcohol of drugs heeft gebruikt. Zijn somatische anamnese levert geen bijzonderheden op. Zijn familieanamnese is positief voor angst en depressiviteit bij vader, alcoholisme bij de grootouders aan vaderszijde en een mogelijke onbehandelde ADHS bij moeder.
Bij onderzoek is Wesley licht angstig, maar er is gemakkelijk contact met hem te krijgen. Terwijl hij op een stoel zit, beweegt hij zijn lichaam naar voor en achter heen en weer. Over zijn driftbuien en fysieke agressie zegt hij: ‘Het voelt of ik er niets tegen kan doen. Ik wil dat allemaal niet doen. Maar als ik boos word, denk ik daar niet meer aan. Het lijkt dan of ik niet meer goed kan denken.’ Op de vraag hoe hij over zijn uitbarstingen denkt, kijkt hij erg verdrietig en zegt dan ernstig: ‘Ik haat het als ik zo ben.’ Als hij drie dingen in zijn leven zou kunnen veranderen, antwoordt hij: ‘Ik zou dan meer vrienden willen hebben, het beter op school willen doen en niet meer zo vaak kwaad willen worden.’