Ben er niet helemaal bij

    Daphne Simeon, MD

    Jan van Veen, een 20-jarige twee­de­jaars­stu­dent, wordt door een studiementor naar de stu­den­ten­psy­cho­loog gestuurd omdat hij vreemd overkomt en ‘er niet helemaal bij’ is. Jan van Veen vertelt de therapeut die hem onderzoekt dat hij de afgelopen drie maanden ‘niet helemaal zichzelf’ is geweest. Hij zegt dat hij vaak merkt dat zijn hoofd leeg voelt, alsof zijn gedachten niet van hemzelf zijn. Hij is zich steeds meer vervreemd van zijn lichaam gaan voelen, en verricht zijn dagelijkse bezigheden als een ‘losgekoppelde robot’. Soms is hij er zelfs niet zeker van of hij dood of levend is, alsof hij in een droom leeft. Hij zegt dat het soms voelt alsof hij ‘geen zelf’ heeft. Door deze ervaringen voelt hij zich vaak urenlang doodsbang. Zijn cijfers zijn achteruitgegaan en hij gaat nog maar nauwelijks met anderen om.

    Patiënt zegt dat hij down is geworden sinds het een paar maanden geleden is uitgegaan met zijn vriendin Jill; hij vertelt dat hij ongeveer een maand een sombere stemming heeft gehad met lichte lichamelijke klachten, waarbij hij geen beperkingen ondervond in zijn functioneren. In die periode merkte hij dat hij zich wat verdoofd en onwerkelijk ging voelen, maar aanvankelijk heeft hij daar niet veel aandacht aan besteed. Toen zijn sombere stemming voorbijging en hij zich in toenemende mate afgesneden ging voelen, maakte hij zich steeds meer zorgen en heeft hij uiteindelijk hulp gezocht. Hij vertelt de psycholoog dat zijn één jaar durende relatie met Jill veel voor hem betekende en dat hij van plan was geweest om Jill na de vakantie aan zijn moeder voor te stellen.

    Patiënt vertelt dat hij in de vierde klas van de middelbare school een kortdurende aanval van extreme angst heeft gehad. Nadien heeft hij meer paniekaanvallen gehad en deze zijn in de twee daaropvolgende maanden steeds ernstiger geworden en vaker voorgekomen. Tijdens die aanvallen voelde hij zich heel vervreemd, alsof alles onwerkelijk was. Deze klachten hielden soms urenlang aan en hadden veel weg van zijn huidige klachten. De klachten waren begonnen toen zijn moeder in een psychiatrisch ziekenhuis werd opgenomen. Toen zij weer thuiskwam, zijn ze weer redelijk snel verdwenen. Hij heeft destijds geen hulp gezocht.

    Jan vertelt ook dat hij op de basisschool enkele dagen een voorbijgaand gevoel van onwerkelijkheid heeft gehad, vlak nadat zijn ouders waren gescheiden en zijn vader hem bij zijn moeder had achtergelaten, die schizofrenie (paranoïde type) heeft. Kenmerkend voor zijn kinderjaren zijn een intense eenzaamheid en het gevoel dat hij de enige volwassene in het gezin was. Zijn moeder functioneerde marginaal, maar was meestal niet actief psychotisch. Zijn vader kwam zelden of nooit op bezoek maar zorgde wel voor financiële middelen zodat zij redelijk comfortabel konden leven. Soms ging hij een weekend bij zijn grootouders logeren, maar over het algemeen leidde hij met zijn moeder een tamelijk geïsoleerd bestaan. Hij deed het goed op school en had een paar hechte vrienden, maar was doorgaans nogal op zichzelf en nam vrijwel nooit vrienden mee naar huis. Jill zou de eerste zijn geweest die zijn moeder zou ontmoeten.

    Patiënt ontkent dat hij drugs heeft gebruikt, met name cannabis, hallucinogenen, ketamine of salvia, en een toxicologisch onderzoek van de urine is negatief. Hij ontkent dat er sprake is (geweest) van lichamelijk of seksueel misbruik. Hij zegt dat er in het verleden nooit sprake is geweest van depressiviteit, manie, psychose of andere psychiatrische symptomen. Met name is er geen sprake geweest van amnesie, black-outs, meerdere identiteiten, hallucinaties, achterdocht of andere ongewone gedachten of ervaringen.

    De uitslagen van de rou­ti­nela­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoe­ken, een toxicologisch onderzoek en een lichamelijk onderzoek leveren normale bevindingen op.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.