Hoofdlijnen bij de classificatie
Hoofdlijnen bij de classificatie
► De eerste taak bij het vaststellen of iemand een schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis heeft, is het bepalen van de aanwezigheid van een psychose, met ofwel hallucinaties of wanen.
► De duur van iemands psychotische en/of negatieve symptomen is in veel gevallen bepalend voor de vraag of er sprake is van een kortdurende psychotische stoornis, schizofreniforme stoornis, schizofrenie of schizoaffectieve stoornis.
► Om te bepalen of iemand een schizoaffectieve stoornis of een afzonderlijke stemmingsstoornis heeft, is het van cruciaal belang om in kaart te brengen of en hoelang de patiënt een diagnosticeerbare stemmingsstoornis heeft.
► Voor een accurate vaststelling van een schizoaffectieve stoornis zijn twee elementen belangrijk: een diagnosticeerbare stemmingsstoornis moet meer dan 50% van de tijd aanwezig zijn (ook wanneer de stemmingsstoornis in remissie is door de behandeling), en er moet een periode zijn van minimaal twee weken waarin er wel schizofreniesymptomen aanwezig zijn maar geen symptomen van een stemmingsstoornis.
► In de meeste gevallen zijn zelfs patiënten met ernstige schizofreniespectrumstoornissen georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Desoriëntatie is ofwel een indicatie van een delirium door een middel/medicatie of door een niet-herkende of onvoldoende behandelde somatische aandoening.
► Een autismespectrumstoornis kan worden verward met schizofrenie of de schizofreniforme stoornis. Een autismespectrumstoornis begint meestal op jongere leeftijd en mensen met deze stoornis ervaren doorgaans geen lang aanhoudende hallucinaties en/of wanen.