Angststoornissen

  • Ik ga mezelf voor gek zetten.
  • Soms gaat mijn hart opeens zo tekeer dat ik niet kan ademen, maar mijn dokter kan niets vinden.

Alan K. Louie, Laura Weiss Roberts

De categorie angst­stoor­nis­sen betreft de ge­moeds­toe­stan­den angst, vrees en bezorgdheid, waarmee vrijwel alle mensen wel bekend zijn. Op sommige momenten zijn deze ge­moeds­toe­stan­den uiteraard van levensbelang voor iemands overleven, doordat ze diegene voorbereiden op, waarschuwen voor en mobiliseren tegen gevaarlijke situaties. Het zou ongezond zijn als mensen geen vrees zouden kennen. Die situatie is te vergelijken met de afwezigheid van pijn, waardoor iemand een vlam kan aanraken zonder zijn of haar hand terug te trekken. Niettemin kunnen angst, vrees en bezorgdheid te groot worden — bui­ten­pro­por­ti­o­neel of onredelijk zijn — ten opzichte van de werkelijke ‘gevaren’ in het leven. Deze reactie kan een negatieve invloed hebben op iemands vermogen om de rollen te vervullen die hij of zij heeft, om gezonde relaties te onderhouden, en in het algemeen om een volledig leven te leven. Normaal is bijvoorbeeld de bezorgdheid van een moeder over de veiligheid van een nog jong kind wanneer dat op de fiets naar school gaat. Maar deze zelfde bezorgdheid kan als excessief worden beschouwd wanneer het kind ouder is. De overmatige bezorgdheid kan een preoccupatie van de moeder worden en invloed hebben op de ontwikkeling van het kind.

Wanneer angst, vrees of bezorgdheid onnodige lijdensdruk veroorzaakt en/of een negatieve invloed heeft op hoe iemand zijn of haar leven leidt, kan er sprake zijn van een angststoornis. Sommige mensen met een angststoornis zoeken hulp, bijvoorbeeld van psychologen of artsen, bij wie zij hun zorgen en klachten kunnen uiten, in de hoop gerustgesteld te worden, begrip te vinden of een behandeling te krijgen. Anderen zijn echter te verlegen, schamen zich te zeer, of worden zo door hun angsten beperkt dat ze het gevoel hebben dat ze hun klachten aan niemand kunnen vertellen, en in plaats daarvan lijden ze in stilte.

De meest op de voorgrond tredende basisemotie in de categorie angst­stoor­nis­sen is vrees. Vrees hangt vaak nauw samen met een extern object of met de fysieke omgeving. De meeste mensen herinneren zich dat ze als kind dergelijke angsten hebben gehad, bijvoorbeeld vrees voor het donker of voor bepaalde dieren. De stoornis specifieke fobie houdt vrees in voor een specifiek object of specifieke situatie, ernstig genoeg om lijdensdruk te veroorzaken in het leven van de persoon in kwestie en een negatief effect te hebben op hoe hij of zij leeft, bijvoorbeeld door situaties te vermijden waarin hij of zij het gevreesde object of de situatie misschien kan tegenkomen. Andere fobische stoornissen zijn georiënteerd op meer abstracte situaties. De sociale-angststoornis (sociale fobie) bijvoorbeeld is het gevolg van vrees voor sociale contacten, waarbij iemand bang is voor beoordeling door anderen. De se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis heeft betrekking op de vrees om gescheiden te worden van de plek waar, of de mensen bij wie, de persoon in kwestie zich prettig voelt. Agorafobie betreft de vrees om in het openbaar en alleen van huis te zijn. Bij deze stoornissen ervaren patiënten vrees bij blootstelling aan de betreffende entiteit of situatie. Zoals in de DSM-5-criteria wordt gesteld, gaat de vrees in het kader van een angststoornis vaak gepaard met gedrag waarmee de persoon in kwestie de gevreesde entiteit of situatie probeert te vermijden.

Paniekaanvallen die plaatsvinden in het kader van een paniekstoornis omvatten ook vrees, maar het hoofdkenmerk in deze situaties is het hebben van plotselinge aanvallen van angst, of met angst samenhangende lichamelijke reacties die als ontregelend en zorgwekkend worden ervaren — en minstens een aantal van deze aanvallen of lichamelijke reacties zijn onvoorspelbaar en lijken op te treden zonder duidelijke verklaring. De paniekstoornis verschilt zeer van de angst­stoor­nis­sen die hiervoor zijn beschreven, omdat die een duidelijk te identificeren object of situatie vereisen, die zich buiten de persoon bevindt, om de vrees op te wekken. Als een externe factor niet nodig is bij de paniekstoornis, wat is dan de oorzaak van de angstsymptomen? Onderzoekers doen nog steeds onderzoek naar deze vraag. Sommigen stellen dat het angstsysteem van mensen met een paniekstoornis als gevolg van abnormale neuronale activiteit afwijkend reageert, en als het ware een ‘vals alarm’ geeft. Anderen opperen dat het gaat om interne, dus niet externe, stimuli die leiden tot de paniekaanvallen. Deze stimuli kunnen fysiologische sensaties zijn waarvan de patiënt zich al dan niet bewust is (zoals kortademigheid of hartkloppingen) die de angstreacties veroorzaken, maar het gaat dan niet om externe stimuli of om sensaties die gemakkelijk waargenomen kunnen worden door anderen.

Bij de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis is het prominente symptoom bezorgdheid. De DSM-5 beschrijft bezorgdheid als ‘bange voorgevoelens’. Mensen met een ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis hebben ‘bange voorgevoelens’ dat er met betrekking tot een aantal kwesties en terreinen van het dagelijks leven slechte dingen gaan gebeuren. Dit type aanhoudende en algemene bezorgdheid verschilt enigszins van de bezorgdheid die ervaren wordt door mensen die vrees voelen in een beperktere context, bijvoorbeeld bij een fobie. Daarnaast wordt de bezorgdheid gegeneraliseerd naar verschillende levenskwesties en -gebieden en kan deze zich uitbreiden. Dit type bezorgdheid is dus niet zo afgebakend als de meeste specifieke fobieën.

In het DSM-5-hoofdstuk ‘Angst­stoor­nis­sen’ zijn bepaalde DSM-IV-stoornissen weggelaten en andere toegevoegd. Zo zijn de obsessieve-compulsieve stoornis, de post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis en de acute stressstoornis verplaatst van de DSM-IV-categorie angst­stoor­nis­sen naar andere categorieën in de DSM-5. Met deze reorganisatie wordt benadrukt dat deze stoornissen bepaalde unieke eigenschappen hebben, zoals dwangmatig gedrag bij de obsessieve-compulsieve stoornis en de blootstelling aan een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis bij de post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis. Anderzijds zijn de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis en selectief mutisme verplaatst naar de DSM-5-categorie angst­stoor­nis­sen. Deze stoornissen stonden vroeger in het DSM-IV-hoofdstuk ‘Stoornissen die meestal voor het eerst op zui­ge­lin­gen­leef­tijd, kinderleeftijd of in de adolescentie ge­di­a­gnos­ti­ceerd worden’.

Enkele brede trends in de criteria zijn de moeite van het vermelden waard. Bij sommige stoornissen — agorafobie, ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis, se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis, specifieke fobie en sociale-angststoornis — is nu vereist dat de symptomen gedurende minstens zes maanden aanwezig zijn om aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria voor volwassenen te voldoen. Met deze duur­spe­ci­fi­ca­tie worden voorbijgaande aanvallen van symptomen uitgesloten, met als gevolg een grotere consistentie in de DSM-5 met de duurvereisten van andere stoornissen in deze categorie.

Ook zijn de specifieke criteria voor een aantal stoornissen gewijzigd. Voorbeelden zijn de veranderingen in de criteria voor paniekaanvallen en de paniekstoornis. Paniekaanvallen kunnen volgens de DSM-5 ‘verwacht’ of ‘onverwacht’ zijn. De criteria voor de paniekstoornis vereisen herhaalde paniekaanvallen die onverwacht zijn. Ook andere stoornissen dan de paniekstoornis kunnen zich manifesteren met paniekaanvallen als een van de klachten. Dit verschijnsel kan bij de classificatie vermeld worden door het noteren van een specificatie voor paniekaanvallen. De paniekstoornis en agorafobie zijn afzonderlijke en onafhankelijke stoornissen in de DSM-5, die apart of samen kunnen optreden.

Andere classificaties in het hoofdstuk ‘Angst­stoor­nis­sen’ in de DSM-5 zijn de angststoornis door een middel/medicatie, de angststoornis door een somatische aandoening, de andere gespecificeerde angststoornis en de on­ge­spe­ci­fi­ceer­de angststoornis.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.