Op een casus gebaseerde vragen

Op een casus gebaseerde vragen

A Koos Martens is een 26-jarige alleenstaande onderzoeker in opleiding die klaagt over angst, met lichamelijk ongemak, tijdens het lesgeven. Koos meldt dat hij sinds hij zes maanden geleden met zijn aanstelling begon, meer last heeft van sociale angst. Sinds zijn zestiende heeft hij problemen met sociale angst (bijvoorbeeld verlegenheid ten aanzien van meisjes, angst om voor de klas geroepen te worden en vermijding van feestjes), hoewel die angstklachten na individuele psychotherapie gedeeltelijk verdwenen zijn. Zijn sociale angst is in de afgelopen zes maanden echter weer toegenomen. Koos vertelt dat hij in de afgelopen twee weken tijdens elk college dat hij gaf bang was dat hij een slechte beoordeling van zijn medestudenten (van wie sommigen ouder zijn dan hij) zou krijgen, en dat hij dermate angstig was dat hij er lichamelijk ongemak van ondervond (bijvoorbeeld blozen en zweten). Een maand geleden heeft hij daarom de frequentie van zijn individuele psychotherapie verhoogd tot wekelijkse sessies. Twee weken geleden is hij ook gestart met groeps­psy­cho­the­ra­pie.

Welke voorlopige beoordeling is op dit moment aangewezen? Angst- en stem­mings­stoor­nis­sen en stoornissen in het gebruik van een middel komen geregeld samen voor en als een van deze stoornissen wordt vastgesteld, dient de mogelijkheid dat de andere twee comorbide voorkomen ook te worden onderzocht. Simultaan optredende angst- en stem­mings­stoor­nis­sen en stoornissen in het gebruik van een middel hangen samen met een vroege beginleeftijd van stem­mings­pro­ble­men en een ongunstigere longitudinale uitkomst.

B Uit directe vragen (bijvoorbeeld: ‘Voelt u zich de laatste tijd weleens somber? Hoelang duurt zo’n periode dan?’) blijkt dat de heer Martens de laatste twee weken subsyndromale depressieve symptomen heeft gehad. Hij geeft aan dat hij momenteel geen enkel plezier beleeft aan activiteiten die hij doorgaans leuk vindt. Hij heeft weinig zelfvertrouwen en moeite met de concentratie, maar hij heeft geen last van bedroefdheid, slapeloosheid, vermoeidheid, verminderde eetlust, psy­cho­mo­to­ri­sche stoornissen en su­ï­ci­de­ge­dach­ten. De clinicus vraagt: ‘Heeft u zich in het verleden weleens een paar weken lang het grootste deel van de tijd somber gevoeld? En had dat gevoel invloed op uw slaap, eetlust, energie, concentratie en levenslust?’ Uit zijn antwoorden blijkt dat Koos in het verleden één depressieve episode heeft gehad, die op de leeftijd van 24 jaar is begonnen nadat een liefdesrelatie was beëindigd. Deze episode is destijds met psychotherapie behandeld. Koos meldt dat hij nooit een psychose heeft gehad, geen suïcidepogingen heeft gedaan, nooit in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen is geweest, noch behandeld is met psychotrope medicatie. Op directe vragen (bijvoorbeeld: ‘Kunt u me iets vertellen over eventueel alcohol- en drugsgebruik toen u nog een tiener of jonge twintiger was?’) antwoordt hij dat hij als student weleens erg veel dronk en in het weekend heel soms marihuana gebruikte, maar dat hij nooit andere middelen heeft gebruikt. Wel heeft hij in de afgelopen twee weken zijn alcoholgebruik opgeschroefd tot drie glazen per dag. Hij geeft aan dat zijn moeder en oudere broer beiden hebben geworsteld met sociale angst en depressiviteit, en daarvoor behandeld zijn met citalopram. Hij vertelt ook dat zijn vader in het verleden heeft gekampt met alcoholisme, dat hij met het twaalf­stap­pen­pro­gram­ma van de AA onder controle heeft gekregen.

Welke andere beoordeling is op dit moment aangewezen? Mensen met een depressieve episode in hun anamnese moeten worden beoordeeld op een voor­ge­schie­de­nis van manische of hypomanische episoden. He­te­ro­a­nam­nes­ti­sche informatie kan zeer waardevol zijn, omdat naasten de symptomen van een verhoogde stemming (bijvoorbeeld prikkelbaarheid) en de gevolgen daarvan (bijvoorbeeld echtelijke spanningen) soms beter waarnemen.

C Bij het volgende bezoek wordt Koos Martens vergezeld door zijn broer, die belangrijke aanvullende informatie verschaft. De broer meldt dat Koos een tijdlang, toen hij rond de 24 was, minder sociale angst had en voor het eerst van zijn leven een relatie had, met een vrouwelijke studiegenoot. Maar al snel ging hij in het geheim ook met haar jongere zusje uit. Toen zijn vriendin daarachter kwam, beëindigde ze de relatie en belandde hij in een drie maanden durende depressie. Na voorzichtig geformuleerde directe vragen, komen Koos en zijn broer tot de conclusie dat dit alles is gebeurd na een periode van één maand waarin de patiënt zeer opgewekt was, zich erg actief voelde, veel energie, een groot zelfvertrouwen en een snelle gedachtegang had, meer sociale activiteiten ondernam (hij sloot zich aan bij drie clubs voor studenten), en meer alcohol dronk (elke vrijdag- en zaterdagavond minstens vijf glazen). Koos’ broer weet nog te melden dat hij ooit heeft gehoord dat hun grootvader van vaderszijde verschillende affaires heeft gehad, die gevolgd werden door depressies.

Wat is de juiste classificatie voor de heer Martens? De heer Martens lijkt een sociale-angststoornis te hebben (die op dit moment het belangrijkste aandachtspunt van de behandeling vormt), evenals een bipolaire-II-stoornis, met actuele subsyndromale depressieve symptomen. Alcoholmisbruik dient te worden uitgesloten.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.