Genderdysforie

  • Ik heb altijd al geweten dat ik eigenlijk een meisje hoorde te zijn.
  • Ik kan niet zijn wie ik ben.

Carlos C. Greaves, Daryn Reicherter

De term genderdysforie beschrijft de pervasieve, subjectieve ervaring van een persoon voor wie het gender dat hij of zij bij de geboorte toegewezen heeft gekregen (i.e., het geboortegender) verkeerd, als een vergissing aanvoelt, of als niet kloppend met de eigen innerlijke overtuiging of werkelijkheid dat hij of zij eigenlijk tot een ander gender behoort. De persoon in kwestie heeft het gevoel dat de natuur op de een of andere manier een grove vergissing heeft begaan, waardoor hij of zij ‘in het verkeerde lichaam is geboren’. De wijziging van de DSM-IV-classificatie ‘gen­de­ri­den­ti­teits­stoor­nis’ naar ‘genderdysforie’ in de DSM-5 geeft weer dat er een aanzienlijke begripsmatige wijziging heeft plaatsgevonden, in die zin dat in de DSM-5 de nadruk is komen te liggen op de klachten die iemand heeft als reactie op de non-conformiteit van het gender, waar in de DSM-IV die situatie op zichzelf nog werd ge­pa­tho­lo­gi­seerd.

Genderdysforie kan een bron zijn van intens lijden en iden­ti­teits­ver­war­ring, en daarnaast van schaamte en stigmatisering. Het kan een diepgaande invloed hebben op iemands zelfbeeld, identiteit, gezinsstructuur en sociale aanpassing. Iemand met genderdysforie heeft een sterke identificatie met en verlangen om te horen bij de sociale wereld van zijn of haar gewenste gender, inclusief de bijbehorende kleding, manieren van doen, globale interesses, sporten, hobby’s, beroepen en de globale reacties vanuit de maatschappij die worden opgeroepen door het ‘andere’ gender — het gender dat wordt beleefd als ‘mijn echte gender’, als ‘dat wat ik werkelijk ben’.

De manier waarop genderdysforie tot uiting komt, verschilt over het algemeen per leeftijdsgroep en geslacht. Kinderen die als meisje zijn geboren en de wens hebben een jongen te zijn, uiten dit vaak al voor de puberteit en verklaren dat ze een jongen zijn of als volwassene een man zullen worden. Zij hebben vaak een voorkeur voor wat traditioneel als jongenskleding of een jongenskapsel wordt beschouwd en spelen het liefst traditionele jon­gens­spel­le­tjes. Op pogingen van hun ouders om hen aan te zetten tot het dragen van jurkjes of om eruit te zien als een meisje reageren ze vaak erg negatief. In hun rollenspel, dromen en fantasieën draait het vaak om meer traditioneel mannelijke thema’s. Voor stereotiep meisjesachtig speelgoed en spel tonen ze vaak weinig belangstelling. Ze kunnen zich ernstig bezorgd of vol walging tonen bij het idee zich te ontwikkelen tot een volwassen vrouw. Kinderen met genderdysforie die als jongen zijn geboren, geven voor de puberteit blijk van de wens een meisje te zijn, verklaren dat ze een meisje zijn of uiten de wens om later als ze volwassen zijn een vrouw te worden. Ze dragen vaak meisjes- of dameskleding of improviseren om hun kleding vrouwelijk te laten lijken. In rollenspel spelen ze vaak vrouwelijke personages en ze zijn vaak geïnteresseerd in vrouwelijke fantasiefiguren. Ze hebben vaak een voorkeur voor traditioneel meis­jes­speel­goed en -spelletjes en kunnen desinteresse tonen voor of ronduit een hekel hebben aan traditioneel jon­gens­speel­goed en -spelletjes. Sommigen doen alsof ze geen penis hebben en willen per se zittend plassen.

Voor de classificatie genderdysforie bij kinderen is vereist dat het kind een sterk verlangen heeft om tot een ander gender (dat voelt als ‘zoals ik van nature eigenlijk ben’) te behoren dan het geboortegender — of volhoudt dat het tot het andere gender behoort. Dit verlangen kan ook aanwezig zijn bij adolescenten en volwassenen met genderdysforie, maar is bij hen niet — zoals bij kinderen — vereist voor de classificatie genderdysforie. De dysforie is gebaseerd op klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale functioneren, het functioneren op school of op andere belangrijke terreinen. De lijdensdruk of beperkingen kunnen ook voortkomen uit het feit dat het kind doet of leeft als iemand van het geboortegender of door de diepe behoefte andere mensen (ouders, broers en zussen, vrienden, enzovoort) te overtuigen van de juistheid van het ervaren gender — en doordat het te maken krijgt met de ernstige sociale gevolgen van deze overtuiging: afwijzing, pesten, uitgelachen worden, te schande worden gezet, uitsluiting, minachting, bedreiging, geweld of zelfs de dood.

Jonge adolescenten met genderdysforie hebben klinische kenmerken van genderdysforie die vergelijkbaar zijn met die van kinderen of volwassenen en die meestal afhangen van hun ont­wik­ke­lings­ni­veau. Tijdens de adolescentie, een periode van grote behoefte aan goedkeuring van leef­tijds­ge­no­ten, gaat het opkomende besef tot een ander gender te behoren gepaard met een forse mate van vervreemding, verhulling, schaamte en problemen met de iden­ti­teits­vor­ming. Het is deze groep die het meest last heeft van de behoefte aan genitaliën die er anders uitzien en van walging over de lichamelijke kenmerken van het geboortegender, die op deze leeftijd volop in ontwikkeling zijn.

Volwassenen met genderdysforie zitten vaak zo in de knoop over de discrepantie tussen hun ervaren gender en het geboortegender dat ze de ge­slachts­ken­mer­ken van hun lichaam fysiek willen laten veranderen. Volwassenen met genderdysforie nemen vaak het gedrag, de kledingstijl en/of de manier van doen van het tegengestelde gender over. Zij worden door de maatschappij liever beschouwd als iemand van het door hen ervaren gender dan als iemand van het toegewezen gender.

Mensen met genderdysforie kunnen met verzoeken komen om hor­moon­be­han­de­lin­gen, het verwijderen of implanteren van beharing, operaties voor het veranderen van hun gelaatstrekken, plastische chirurgie van verschillende lichaamsdelen, en, uiteindelijk, een verandering van hun genitale anatomie (een ge­slachts­ver­an­de­ren­de operatie): penectomie en het maken van een neovagina bij de overgang van man tot vrouw of het sluiten van de vaginale opening en het maken van een neopenis bij de overgang van vrouw tot man.

Onderwerpen als gezinsdynamiek, school, intermenselijke relaties en het vermogen tot intimiteit kunnen bron worden van veel leed, in de vorm van angst, spanning en vragen over wat nu echt is en wie te geloven (zichzelf of anderen).

De DSM-5 onderscheidt twee specifieke vormen van genderdysforie: zoals ervaren door kinderen en zoals ervaren door adolescenten en volwassenen. De definities van beide classificaties zijn in de basis vergelijkbaar. Beide beginnen met ‘een duidelijke incongruentie tussen het ervaren/geuite gender en het toegewezen gender, gedurende minstens zes maanden’. De kindervariant en de volwassen variant hebben verschillende specifieke criteria maar hebben als ge­meen­schap­pe­lij­ke thema’s de sterke identificatie met het tegengestelde gender, de wens te worden erkend als iemand van het andere gender, en een hekel hebben aan de eigen lichamelijke ge­slachts­ken­mer­ken.

Beide classificaties vragen om een specificatie die vermeldt of het beeld is gekoppeld aan een somatisch syndroom (bijvoorbeeld het an­dro­geen­on­ge­voe­lig­heids­syn­droom).

De DSM-5 vermeldt verder nog twee niet-specifieke classificaties: andere gespecificeerde genderdysforie en on­ge­spe­ci­fi­ceer­de genderdysforie. Deze classificaties worden gebruikt wanneer niet volledig wordt voldaan aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria voor een van de specifieke stoornissen, maar het belangrijkste klinische probleem wel samenhangt met de in de specifieke classificaties beschreven thematiek.

De classificaties in het hoofdstuk genderdysforie dienen niet te worden verward met de classificaties in het DSM-5-hoofdstuk over parafiele stoornissen. De DSM-5-classificatie trans­ves­tie­stoor­nis bijvoorbeeld kan in de differentiële diagnostiek van genderdysforie aan de orde komen. Het dragen van kleding van het tegengestelde gender kan voorkomen bij iemand met genderdysforie. Toch zou het onderscheid tussen de classificatie trans­ves­tie­stoor­nis en elke vorm van genderdysforie makkelijk te maken moeten zijn.

De prevalentie van genderdysforie is niet bekend, maar wordt laag geschat (< 1%). Er lijken meer jongens en mannen te zijn met genderdysforie dan meisjes en vrouwen.

Het hoofdstuk over seksuele en gen­de­ri­den­ti­teits­stoor­nis­sen in de DSM-IV bevatte classificaties die sterk lijken op genderdysforie. In de DSM-5 is besloten een apart hoofdstuk te wijden aan genderdysforie. De kenmerken van de in de DSM-IV beschreven gen­de­ri­den­ti­teits­stoor­nis­sen zijn sterk vergelijkbaar met die van genderdysforie in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.