Bipolaire-stemmingsstoornissen
- Ik voel me geweldig. Ik kan alles!
- Als hij zo snel begint te praten, weet ik dat hij weer gaat doordraaien…
Terence A. Ketter, Shefali Miller
Bipolaire-stemmingsstoornissen zijn veelvoorkomende, terugkerende, vaak invaliderende, en in veel gevallen dodelijke aandoeningen, gekenmerkt door stemmingswisselingen en schommelingen in het energie- en functioneringsniveau (zie tabel 6-1).
In de DSM-5 hebben de bipolaire-stemmingsstoornissen een eigen hoofdstuk gekregen (in tegenstelling tot in de DSM-IV, waar ze samen met de depressieve stoornissen in een gezamenlijk hoofdstuk over stemmingsstoornissen waren geplaatst). Het hoofdstuk over de bipolaire-stemmingsstoornissen is na het hoofdstuk over de schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen opgenomen en vóór het hoofdstuk over de depressieve-stemmingsstoornissen. Hiermee wordt in de DSM-5 onderkend dat de bipolaire-stemmingsstoornissen een brugfunctie vervullen tussen de schizofreniespectrumstoornissen en de depressieve-stemmingsstoornissen wat betreft de symptomen, familiegeschiedenis en genetica.
Patiënten met een bipolaire-I-stoornis hebben minstens één manische episode ervaren. Manische episoden duren minimaal één week (of korter wanneer iemand is opgenomen) en vereisen een verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, samengaand met een toegenomen energie/activiteit en minstens drie aanvullende symptomen (vier als de stemming alleen prikkelbaar is), zoals een opgeblazen gevoel van eigenwaarde, een verminderde behoefte aan slaap, spreekdrang, gedachtevlucht, verhoogde afleidbaarheid, toename van doelgerichte activiteit en impulsiviteit. Manische episoden zijn per definitie ernstig in de zin dat ze samengaan met psychose, ziekenhuisopnamen of ernstige beperkingen in het werkgerelateerde of psychosociale functioneren. Als nieuw kernsymptoom van verhoogde stemming is ‘verhoogde doelgerichte activiteit of energie’ toegevoegd aan de DSM-5.
Mensen met een bipolaire-II-stoornis hebben minimaal één hypomanische episode en minimaal één depressieve episode doorgemaakt, maar geen manische episode. Een hypomanische episode wordt op dezelfde wijze gedefinieerd als een manische episode, maar deze houdt geen psychose, opname of ernstige functionele beperkingen in, en heeft een kortere minimumduur (vier dagen in plaats van zeven).
TABEL 6-1
Typen episoden in een aantal DSM-5-stemmingsstoornissen

V = vereist; G = gangbaar (maar niet vereist); × = niet toegestaan Manische, hypomanische en depressieve episoden kunnen met of zonder gemengde kenmerken voorkomen.
Depressieve episoden worden gekenmerkt door somberheid of anhedonie, gepaard gaand met bijkomende symptomen, zodat er in totaal sprake is van minstens vijf pervasieve symptomen in een periode van minimaal twee weken. Voorbeelden van specifieke bijkomende symptomen zijn: gewichtsverlies, slaapstoornissen, psychomotorische agitatie of vertraging, verlies van energie, gevoelens van waardeloosheid/schuldgevoelens, slechte concentratie (ervaren onvermogen om de aandacht te richten) en suïcidaliteit. De overgrote meerderheid van de patiënten met een bipolaire-I-stoornis maakt ook depressieve episoden door, maar dergelijke episoden zijn niet vereist voor de classificatie bipolaire-I-stoornis.
Net zoals bij hypomanische en depressieve episoden, is bij manische episoden in de DSM-5 de specificatie ‘met angstige spanning’ toegevoegd, die gedefinieerd wordt als de aanwezigheid van minstens twee van de volgende symptomen: zich opgedraaid of gespannen voelen, zich uitzonderlijk rusteloos voelen, moeite hebben zich te concentreren door ongerustheid, de vrees hebben dat er iets verschrikkelijks kan gebeuren, en het gevoel hebben de zelfbeheersing te verliezen.
Ook is in de DSM-5 de specificatie ‘gemengde episode’ uit de DSM-IV vervangen door de specificatie ‘met gemengde kenmerken’, een specificatie die geldt voor manische, hypomanische en depressieve episoden. De hypomanische episode met gemengde kenmerken is nieuw in de DSM-5. De specificatie ‘met gemengde kenmerken’ voor depressieve episoden wordt toegevoegd als er zich gedurende de meeste dagen minstens drie manische symptomen optreden gelijktijdig met minstens vijf depressieve symptomen.
De cyclothyme stoornis wordt gekenmerkt door een chronisch, fluctuerend patroon gedurende minstens twee jaar (één jaar bij kinderen en adolescenten), met talrijke perioden van een subsyndromale verhoogde stemming en depressieve symptomen, waarbij de betrokkene niet langer dan twee maanden symptoomvrij is geweest. Als een depressieve, manische of hypomanische episode optreedt tijdens de eerste twee jaar van de stoornis (één jaar bij kinderen en adolescenten), wordt de classificatie cyclothyme stoornis niet toegekend, omdat de chronische subsyndromale stemmingswisselingen dan kunnen worden beschouwd als restverschijnselen van een bipolaire-I- of bipolaire-II-stoornis. Als een depressieve, manische of hypomanische episode optreedt na de eerste twee jaar van de cyclothyme stoornis, kan de classificatie cyclothyme stoornis worden vervangen door een classificatie depressieve stoornis, bipolaire-I-stoornis of bipolaire-II-stoornis.
De bipolaire-stemmingsstoornis door een middel/medicatie wordt gekenmerkt door inname of onttrekking van een middel of medicijn. Volgens de DSM-5 (maar niet volgens de DSM-IV) is een volledige manische of hypomanische episode die opkomt tijdens een antidepressieve behandeling (bijvoorbeeld met medicatie of elektroconvulsietherapie) en die aanhoudt nadat het fysiologische effect van deze behandeling is uitgewerkt voldoende bewijs voor een manische of hypomanische episode. De bipolaire-stemmingsstoornis door een middel/medicatie komt vaker voor bij patiënten met gemengde kenmerken en met rapid cycling.
De bipolaire-stemmingsstoornis door een somatische aandoening is het gevolg van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening (meestal een neurologische of endocriene ziekte). Deze komt vaker voor bij patiënten met gemengde kenmerken en rapid cycling en vooral bij oudere volwassenen, vanwege de hoge prevalentie van somatische aandoeningen in deze leeftijdsgroep. In sommige gevallen, wanneer de invloeden van behandelingen en van de onderliggende stoornissen gelijktijdig optreden en elkaar overlappen, kan het lastig zijn om definitief te bepalen of de stemmingssymptomen horen bij een bipolaire-stemmingsstoornis door een middel/medicatie of bij een bipolaire-stemmingsstoornis door een somatische aandoening.
De classificaties andere gespecificeerde bipolaire-stemmingsstoornis en ongespecificeerde bipolaire-stemmingsstoornis in de DSM-5 vervangen de classificatie bipolaire stoornis niet anderszins omschreven in de DSM-IV. Deze classificaties zijn van toepassing bij significante manische en depressieve symptomen, die niet voldoen aan de classificatiecriteria van een specifieke bipolaire- of depressievestemmingsstoornis en ook niet zijn toe te schrijven aan de directe fysiologische effecten van een stoornis door een middel/medicatie of een somatische aandoening. De beschrijving in de DSM-5 van de classificatie andere gespecificeerde bipolaire-stemmingsstoornis bevat specifieke beelden die niet aan de criteria voor een bepaalde bipolaire-stemmingsstoornis voldoen, waaronder de volgende:
► Depressieve episoden en kortdurende hypomanische episoden (met een duur van twee tot drie dagen, dat wil zeggen: te kort om mee te tellen voor een volledige hypomanische episode).
► Depressieve episoden en hypomanische episoden met onvoldoende symptomen om mee te tellen voor een volledige hypomanische episode.
► Hypomanische episode zonder voorafgaande depressieve episode.
► Kortdurende cyclothyme stoornis (korter dan twee jaar bij volwassenen of één jaar bij kinderen en adolescenten).
De classificatie ongespecificeerde bipolaire-stemmingsstoornis wordt gebruikt in situaties waarin clinici ervoor kiezen om niet de reden te specificeren waarom niet aan de criteria wordt voldaan voor een specifieke bipolaire-stemmingsstoornis. Daaronder vallen ook beelden waarbij er onvoldoende informatie is om een specifiekere classificatie toe te kennen (bijvoorbeeld op een spoedeisendehulpafdeling).
Mensen met een bipolaire-stemmingsstoornis presenteren zich vaker met depressieve symptomen dan met een verhoogde stemming. Aan iedereen die zich presenteert met depressieve klachten moet dus direct worden gevraagd naar eventuele episoden met een verhoogde stemming in de voorgeschiedenis. Mogelijk zijn die episoden eerder als perioden van prikkelbaarheid en agitatie ervaren dan van euforie. Patiënten benadrukken mogelijk vooral hun depressieve perioden en schenken onvoldoende aandacht aan perioden met een verhoogde stemming. Dit komt doordat ze tijdens depressieve perioden meer lijdensdruk en beperkingen in het functioneren ervaren en minder bezorgd zijn over de subjectieve, maar aanzienlijk andere ervaringen tijdens en negatieve gevolgen van perioden met een verhoogde stemming. Door de belangrijke persoonlijke en functionele gevolgen van een depressieve periode te erkennen, kan een clinicus de therapeutische relatie met deze patiënten bevorderen. Hij of zij dient echter een balans te zoeken tussen die bevestiging en het vragen naar en bespreken van de even belangrijke informatie over perioden met een verhoogde stemming. Die informatie kan van de patiënt komen of van zijn of haar naasten; de laatsten blijken vaak sensitievere waarnemers van een verhoogde stemming te zijn.