Inleiding

Naar de vragenlijst

Net als altijd is de eerste stap bij de differentiële diagnostiek het uitsluiten van het gebruik van middelen/medicatie of een somatische aandoening als de directe fysiologische oorzaak van de angst van een patiënt. Aangezien angst een bijkomend kenmerk kan zijn van zowel een delirium als een uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis, worden ook deze specifieke aandoeningen in dit deel van de beslisboom behandeld.

Als de angst optreedt in afgebakende episoden met een plotseling begin, en gepaard gaat met een aantal lichamelijke symptomen (bijvoorbeeld hartkloppingen, kortademigheid, duizeligheid) en cognitieve symptomen (bijvoorbeeld de vrees om gek te worden of een hartaanval te krijgen), wordt de angst als een paniekaanval beschouwd (of, als het aantal kenmerkende symptomen minder is dan de minimumdrempel van vier, een ‘aanval met een beperkt aantal symptomen’). Vanwege de specifieke implicaties voor de behandeling van paniekaanvallen is hiervoor een afzonderlijke beslisboom opgenomen.

De resterende beslispunten in de beslisboom voor angst differentiëren tussen de verschillende angststoornissen doordat wordt bepaald waarvoor de betrokkene precies bang is, welke situaties worden vermeden en of de angst optreedt als reactie op een stressor. Bij de paniekstoornis heeft de angst te maken met vrees voor het krijgen van nieuwe paniekaanvallen en de mogelijke gevolgen daarvan. Agorafobie is hiermee vergelijkbaar in die zin dat de betrokkene bang is voor plekken of situaties waaruit ontsnappen bij een paniekaanval of panieksymptomen moeilijk of gênant zou zijn, maar de angst en vermijding betreffen in eerste instantie plekken en situaties, meer dan de paniekaanval zelf. Gezien het meer gegeneraliseerde karakter van de vermijding bij agorafobie (vergeleken met het meer beperkte karakter van situaties die worden vermeden bij stoornissen zoals een specifieke fobie), vereist een classificatie agorafobie dat de betrokkene bang is voor minstens twee ‘agorafobische clusters’: het openbaar vervoer, open ruimtes, afgesloten ruimtes, in de rij staan of zich in een menigte bevinden en alleen buitenshuis zijn. De separatieangststoornis, sociale-angststoornis (sociale fobie), specifieke fobie en ziekteangststoornis hebben ieder hun eigen specifieke onderwerp waar de angst en vermijding zich op richten (respectievelijk angst voor een scheiding van belangrijke hechtingspersonen, situaties waarin de betrokkene kan worden blootgesteld aan een kritische beoordeling van anderen, blootstelling aan een gevreesd object (bijvoorbeeld een spin) of een gevreesde situatie (bijvoorbeeld reizen per vliegtuig), en het hebben of krijgen van een ernstige ziekte). Ook stoornissen uit de categorie obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen kunnen met angst gepaard gaan (bijvoorbeeld de angst die hoort bij de preoccupatie met een ingebeeld lichamelijk gebrek bij de morfodysfore stoornis, de angst voor besmetting bij de obsessieve-compulsieve stoornis, de angst dat de betrokkene wordt gedwongen om persoonlijke bezittingen weg te doen bij de verzamelstoornis). De gegeneraliseerde-angststoornis is weliswaar niet opgenomen in de categorie van de obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen, maar de stoornis is hiermee fenomenologisch vergelijkbaar in die zin dat deze wordt gekenmerkt door excessief piekeren en zich zorgen maken over naderend onheil die met de chronische angst gepaard gaan.

Angst die zich ontwikkelt als reactie op blootstelling aan een traumatische stressor kan wijzen op een posttraumatische-stressstoornis of een acute stressstoornis, als de andere karakteristieke kenmerken ook aanwezig zijn (symptomen van intrusie en vermijding in relatie tot de psychotraumatische stressor of de omstandigheden daaromheen, negatieve veranderingen in cognities en stemming, en veranderingen in arousal en activiteit). De differentiatie is gebaseerd op de duur (één maand of korter voor de acute stressstoornis, langer dan één maand voor de posttraumatische-stressstoornis).

Angst tijdens depressieve, manische en hypomanische episoden komt zo veel voor dat de aanwezigheid ervan eerder regel dan uitzondering is. Om die comorbide aanwezigheid van angst aan te geven, heeft de DSM-5 de specificatie ‘met angstige spanning’, waarmee u de ernst van de comorbide angst kunt aanduiden (variërend van licht tot ernstig). Tot slot: als de angst niet adequaat wordt verklaard door een van de beslispunten tot dusver in de beslisboom, kan een DSM-5-classificatie toch gerechtvaardigd zijn. Als de angst een symptomatische uiting is van een maladaptieve reactie op een psychologische stressor, is de classificatie aanpassingsstoornis met angst. En als dit niet het geval is en de angst wel klinisch significant is en een uiting is van een psychopathologisch of fysiopathologisch proces in het individu (en daarmee een psychische stoornis kan worden genoemd), zou een restclassificatie van toepassing kunnen zijn, en hangt de keuze af van de vraag of u het syndroom in het dossier wilt vermelden (en in dat geval wordt de classificatie ‘andere gespecificeerde angststoornis’ gebruikt, gevolgd door de reden) of niet (en in dat geval wordt de classificatie ‘ongespecificeerde angststoornis’ gebruikt). In andere gevallen zou de angst als een deel van het normale repertoire van emotionele expressies worden beschouwd en niet als een aanwijzing voor een psychische stoornis.

Naar de vragenlijst

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.