Met zelfbeschadigend en automutilerend gedrag worden gedragingen bedoeld zoals hoofdbonken, haar uittrekken, huidpulken, zichzelf bijten en slaan van verschillende delen van het eigen lichaam. Wat opvalt is dat de frequentie van automutilatie klaarblijkelijk het hoogst is in situaties waarin de betrokkene beperkt is in zijn of haar vrijheid (bijvoorbeeld in een ziekenhuis, gevangenis of kindertehuis). Dit leidt tot een interessant dilemma als een patiënt die op het punt staat om uit het ziekenhuis te worden ontslagen zijn of haar automutilerende gedrag intensiveert, terwijl dit in feite door het verblijf in die setting wordt bekrachtigd.
De motieven die aan automutilatie ten grondslag liggen variëren afhankelijk van de stoornis waarvan het gedrag een complicatie is. De classificatie die het vaakst gepaard gaat met automutilatie is de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Sommige patiënten met deze stoornis vertonen het automutilerende gedrag als een soort ‘remedie’ van een dissociatieve toestand waarin de patiënt pas na het voelen van pijn of het zien van bloed weer het gevoel heeft echt te leven. Bij andere patiënten met de borderline-persoonlijkheidsstoornis is automutilatie bedoeld als een ‘remedie’ tegen intense dysforie of om intense woede tegen te gaan. Intoxicatie door een middel en onttrekkingssyndroom van een middel zijn toestanden die de kans op een episode van automutilatie sterk vergroten. Bij psychotische patiënten is het motief voor de automutilatie gewoonlijk een waandenkbeeld (bijvoorbeeld over de noodzaak om kwade geesten te straffen) of een reactie op een imperatieve hallucinatie. Bij een delirium en een uitgebreide neurocognitieve stoornis treedt automutilatie soms op als een bijverschijnsel van de verwardheid (bijvoorbeeld verzet tegen fixatiemiddelen). De automutilatie die in een enkel geval optreedt als een complicatie van de obsessieve-compulsieve stoornis wordt veroorzaakt door het onvermogen om weerstand te bieden aan de constante behoefte om een dwanghandeling uit te voeren (bijvoorbeeld de huid van de handen kapot wassen bij een wasdwang). Bij trichotillomanie is er sprake van onvermogen om weerstand te bieden aan de drang om het eigen haar uit te trekken, wat kan leiden tot kale plekken op het hoofd. Evenzo kan het onvermogen om weerstand te bieden aan het pulken aan de huid tot zichtbare huidbeschadigingen leiden. Bij de seksueel-masochismestoornis is seksueel genot het motief voor de automutilatie.
Stereotypieën die tot zelfbeschadiging kunnen leiden zijn het hoofdkenmerk van de stereotiepe-bewegingsstoornis. Als de stereotiepe-bewegingsstoornis tot klinisch significante zelfbeschadigingen leidt, kan dit worden geregistreerd met behulp van de specificatie ‘met zelfbeschadigend gedrag’. Stereotypieën worden niet zelden gezien bij een verstandelijke beperking (verstandelijke-ontwikkelingsstoornis) en een aparte classificatie stereotiepe-bewegingsstoornis moet in die gevallen alleen worden toegekend als de stereotypieën niet beter worden verklaard door de verstandelijke beperking als onderliggende oorzaak.
Automutilerend gedrag kan soms een uiting zijn van de nagebootste stoornis of simuleren. De patiënt leert dat het branden of snijden een gewenste ziekenhuisopname oplevert of een ongewenst ontslag uit het ziekenhuis kan voorkomen. De nagebootste stoornis en simuleren worden van elkaar gedifferentieerd aan de hand van de vraag of het veinzen optreedt als duidelijke externe beloningen ontbreken; als dit inderdaad het geval is, is de juiste classificatie nagebootste stoornis. Als het geveinsde zelfbeschadigende gedrag alleen optreedt in aanwezigheid van duidelijke externe beloningen is er sprake van simuleren.