Hoewel cognitieve beperkingen een brede term is waarmee beperkingen in bijna alle (neuro)cognitieve functies kunnen worden bedoeld, verwijst de term binnen de context van de beslisboom naar een beperking in een van de neurocognitieve domeinen die worden genoemd in de criteria voor de uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis: de complexe aandacht, executieve functies, leervermogen en geheugen, taal, het perceptueel-motorische of het sociaal-cognitieve domein. Als de cognitieve beperking alleen bestaat uit geheugenverlies dient u voor de differentiële diagnostiek van dat symptoom de beslisboom voor geheugenverlies (2.27) te raadplegen. Het patroon van cognitieve beperkingen dat het deliriumsyndroom definieert, is tamelijk specifiek. Het hoofdkenmerk van een delirium is een bewustzijnsstoornis, met als kenmerken een verminderde oriëntatie op de omgeving en een stoornis in de aandacht (d.w.z. een verminderd vermogen om de aandacht te sturen, te richten, vast te houden en te verplaatsen) die zich in korte tijd ontwikkelt en waarvan de ernst in de loop van de dag fluctueert. De definitie van een delirium vereist daarnaast ook een bijkomende stoornis in de cognitieve functies (die de vorm kan aannemen van een beperking op het vlak van het geheugen, de taal, de visuospatiële functies of de waarneming). Nadat het deliriumsyndroom is vastgesteld, hangt de te kiezen DSM-classificatie af van de oorzaak. Het delirium kan meerdere oorzaken hebben (delirium door multipele oorzaken), het kan worden veroorzaakt door de fysiologische effecten van een middel of medicatie (delirium door intoxicatie door een middel, delirium door onttrekking van een middel, delirium door medicatie) of door de fysiologische effecten van een somatische aandoening (delirium door een somatische aandoening).
Significante cognitieve beperkingen komen ook voor in het kader van diverse psychische stoornissen. Hoewel een cognitieve beperking weliswaar niet tot de definiërende criteria voor schizofrenie behoort, komen cognitieve symptomen, en in het bijzonder achteruitgang van het declaratieve geheugen en het werkgeheugen, de taalfunctie en de executieve functies bij schizofrenie zeer veel voor, en leveren die problemen een belangrijke bijdrage aan het zwakke functioneren op lange termijn, dat vaak kenmerkend is voor de stoornis. Op dezelfde manier kunnen mensen midden in een manische episode meer vertrouwen hebben in hun cognitieve capaciteiten, maar bij hen kan tussen de stemmingsepisoden door sprake zijn van een significante cognitieve beperking die ook bij hen een negatieve invloed heeft op hun functioneren op lange termijn. Depressieve-stemmingsstoornissen, zoals de depressieve stoornis en de persisterende depressieve stoornis (dysthymie), worden gekenmerkt door een verminderd denk- of concentratievermogen dat in sommige gevallen zo ernstig kan zijn dat het lijkt op een aandoening met dementie (‘pseudodementie’). Concentratiemoeilijkheden komen ook veel voor tijdens de dysfore perioden van de premenstruele stemmingsstoornis, en maken ook bij de posttraumatische-stressstoornis, de acute stressstoornis en de gegeneraliseerde-angststoornis deel uit van het beeld. Onoplettendheid en verhoogde afleidbaarheid zijn definiërende kenmerken van de aandachtsdeficiëntie- / hyperactiviteitsstoornis. Aangezien een uitgebreide of een beperkte neurocognitieve stoornis zich ook comorbide met al deze stoornissen kan voordoen, bevat de beslisboom de instructie om door te gaan naar de neurocognitieve stoornis voor gevallen waarin niet alle cognitieve symptomen die deel uitmaken van het klinische beeld door de psychische stoornis worden verklaard.
De neurocognitieve stoornissen worden onderverdeeld in de uitgebreide en de beperkte neurocognitieve stoornis, en getypeerd aan de hand van hun oorzaken. De onderlinge verschillen zijn gebaseerd op de vraag of er bij de betrokkene sprake is van een substantiële beperking in de cognitieve functies die het zelfstandig functioneren in de weg zit (bij de uitgebreide neurocognitieve stoornis) of dat er sprake is van een bescheiden achteruitgang in de cognitieve functies die niet dusdanig ernstig is dat deze het zelfstandig functioneren bij dagelijkse activiteiten belemmert (beperkte neurocognitieve stoornis). Vanwege het grotere klinische belang van de uitgebreide neurocognitieve stoornis zijn in deze beslisboom alleen beslispunten opgenomen voor het bepalen van de oorzaak van deze aandoening, maar die zijn ook geldig om het etiologische type van de beperkte neurocognitieve stoornis te kunnen bepalen.
Net zoals bij een delirium geldt bij de uitgebreide neurocognitieve stoornis dat de classificatie uitgebreide neurocognitieve stoornis door multipele oorzaken wordt toegekend als er meer dan één oorzaak aan te wijzen is. Voor de overige gevallen worden er beslispunten gegeven voor de diverse specifieke somatische oorzaken, te beginnen met de ziekte van Parkinson, gevolgd door traumatisch hersenletsel, een hiv-infectie, de ziekte van Huntington, een prionziekte (bijvoorbeeld de ziekte van Creutzfeldt-Jakob), frontotemporale lobaire degeneratie (bijvoorbeeld de ziekte van Pick), lewylichaampjesziekte, een vasculaire ziekte en de ziekte van Alzheimer. Verschillende oorzaken (d.w.z. de ziekte van Parkinson, frontotemporale lobaire degeneratie, lewylichaampjesziekte en de ziekte van Alzheimer) moeten aan de hand van specifieke classificatiecriteria verder worden gespecificeerd als een ‘waarschijnlijke’ of ‘mogelijke’ oorzaak. Als nog een andere somatische aandoening de oorzaak is van de uitgebreide neurocognitieve stoornis (bijvoorbeeld multiple sclerose) luidt de classificatie uitgebreide neurocognitieve stoornis door een andere somatische aandoening. En tot slot: als de uitgebreide neurocognitieve stoornis wordt veroorzaakt door de fysiologische effecten van een middel die aanhouden na de acute intoxicatie of onttrekking, wordt de classificatie uitgebreide neurocognitieve stoornis door een middel / medicatie toegekend. Als de oorzaak van de uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis niet kan worden vastgesteld, luidt de classificatie ongespecificeerde neurocognitieve stoornis.