Inleiding

Naar de vragenlijst

In de beslisboom voor spraakstoornissen zijn drie soorten spraakproblemen opgenomen: gedesorganiseerd spreken, beperking in de spraakproductie en ongewoon spreken. Gedesorganiseerd spreken wordt gekenmerkt door het overspringen van het ene naar het andere onderwerp zonder een waarneembaar verband tussen die onderwerpen of het geven van antwoorden op vragen die slechts zijdelings of helemaal niet te maken hebben met de werkelijk gestelde vraag. Beperkingen in de spraakproductie kunnen te maken hebben met problemen in de verwerving en het gebruik van taal, met het vermogen om woorden verstaanbaar te articuleren, of met de spraakvloeiendheid. Onder ongewoon spreken wordt verstaan: deficiënties in het begrijpen en opvolgen van de sociale regels van de verbale communicatie, vertraagd spreken of spreekdrang; of repetitief of stereotiep spreken.

Gedesorganiseerd spreken is een van de lastigste symptomen om te classificeren, omdat er geen maatstaf is ten opzichte waarvan de spraak al dan niet ‘gedesorganiseerd’ kan worden bevonden. Dit oordeel hangt deels af van uw vermogen om het gesprokene te begrijpen en van het patroon van spraakproductie van de patiënt. Bovendien spreekt eigenlijk niemand voortdurend in logisch coherente en syntactisch foutloze zinnen. Veel clinici en assistenten hebben de neiging om spraakgebruik dat slechts in lichte mate onlogisch is als klinisch significant ‘verhoogd associatief’ te benoemen. De typen ‘gedesorganiseerd spreken’ die in deze beslisboom staan, dienen zelfs bij een vluchtige observatie overduidelijk aanwezig te zijn. Als u moeite heeft om te bepalen of het spreken van een patiënt al dan niet gedesorganiseerd is, is dit waarschijnlijk niet pathologisch.

Wanneer eenmaal is vastgesteld dat de spraak van de patiënt gedesorganiseerd, beperkt of ongewoon is, is de volgende taak te bepalen welke van de vele mogelijke psychische stoornissen dit probleem het best verklaart. Hiervoor is het meestal noodzakelijk om de context en de begeleidende symptomen te onderzoeken. Een spraakstoornis die het gevolg is van een andere aandoening kan, afhankelijk van de overige aanwezige symptomen, worden geclassificeerd als afasie, delirium of een uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis. Bij een delirium gaat de spraakstoornis gepaard met een stoornis in het bewustzijn en de aandacht, en bij een uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis gaat de spraakstoornis gepaard met andere cognitieve deficiënties. Wanneer afasie optreedt (beperkingen in het begrip of het overbrengen van ideeën door middel van taal, als gevolg van letsel of een aandoening in de taalcentra van de hersenen) zonder dat er sprake is van andere cognitieve symptomen, kan dit worden geclassificeerd met de ICD-9-codering 784.3.

Gedesorganiseerd spreken is een veelvoorkomende uiting van middelengebruik. Meestal volstaat de classificatie intoxicatie door een middel of onttrekkingssyndroom van een middel, maar een ernstig gedesorganiseerde spraak kan wijzen op een delirium door intoxicatie door een middel, een delirium door onttrekking van een middel of een onderliggende uitgebreide neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie. Over de differentiële diagnostiek van gedesorganiseerd spreken bij een manische episode tegenover schizofrenie bestaat veel discussie. Het gedesorganiseerde spreken tijdens een episode van schizofrenie (bijvoorbeeld ontsporing) kan worden onderscheiden van de ‘gedachtevlucht’ bij een manische episode, afhankelijk van de mate waarin de observeerder de gedachtegang kan volgen. Bij een gedachtevlucht is in elk geval in theorie nog wel te volgen hoe de patiënt van het ene op het andere onderwerp terechtkomt, terwijl de ontsporingen in het spreken bij patiënten met schizofrenie een stuk lastiger te begrijpen zijn. Bij de meest klassieke gevallen zal dit onderscheid wel nuttig zijn, maar op het grensgebied bevinden zich veel gevallen waarin het moeilijk, zo niet onmogelijk is om onderscheid te maken tussen ontsporing en gedachtevlucht. Hoewel snel spreken of spreekdrang vaak kenmerkend is voor manie, kan het spreken van een opgewonden of geagiteerde patiënt met schizofrenie ook overweldigend zijn. Om die reden kan de differentiële diagnostiek tussen schizofrenie en een manische episode het best op de bijkomende symptomen en het algehele beloop worden gebaseerd en niet op een afzonderlijke beoordeling van het spraakpatroon.

De beslisboom bevat ook de differentiële diagnostiek van diverse stoornissen die worden gekenmerkt door spraakbeperkingen die zich voor het eerst in de loop van de ontwikkeling manifesteren. De classificatie taalstoornis is mogelijk gerechtvaardigd als sprake is van symptomen zoals moeite met het begrijpen van woorden, zinnen of bepaalde soorten woorden; een opvallend beperkte woordenschat en/of moeite met het produceren van zinnen. Bij moeite met het produceren van spraakklanken, waardoor de patiënt moeilijk verstaanbaar is, kan de classificatie spraakklankstoornis op zijn plaats zijn. Problemen in de spraakvloeiendheid en het tijdspatroon van de spraak die niet passen bij de leeftijd en taalvaardigheid van de betrokkene, wijzen op de classificatie stoornis in de spraakvloeiendheid ontstaan in de kindertijd (ontwikkelingsstotteren). Bij een autismespectrumstoornis en de sociale (pragmatische) communicatiestoornis zijn er deficiënties in het sociale gebruik van de verbale en non-verbale communicatie. Deze problemen kunnen tot uiting komen doordat iemand moeite heeft met het begrijpen en opvolgen van sociale regels van de verbale en non-verbale communicatie in natuurlijke omstandigheden, worstelt met het afstemmen van zijn taalgebruik op de luisteraar of de situatie, en problemen heeft met het opvolgen van conventies voor het voeren van gesprekken of vertellen van verhalen. Ongepaste vocale uitbarstingen die voorkomen in het kader van een overigens normale spraak wijzen op een ticstoornis.

Naar de vragenlijst

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.