Inleiding

Naar de vragenlijst

Met verhoogde afleidbaarheid wordt bedoeld het onvermogen externe stimuli weg te filteren terwijl iemand probeert zich op een bepaalde taak of activiteit te concentreren. Dit is een erg aspecifiek symptoom dat bij een groot aantal verschillende psychische stoornissen voorkomt, en ook bij mensen die geen psychische stoornis hebben. De differentiële diagnostiek hangt af van de beginleeftijd, de ernst, de symptomen die met de afleidbaarheid gepaard gaan en de vraag of de verhoogde afleidbaarheid het gevolg is van een reactie op een externe stressor. De aanwezigheid van klinisch significante onoplettendheid, beginnend in de vroege kindertijd, wijst op de classificatie aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis. Onoplettendheid met begin tijdens de adolescentie kan op diverse stoornissen wijzen, waaronder herhaaldelijke intoxicatie door een middel of onttrekkingssyndroom van een middel, een depressieve of bipolaire-stemmingsstoornis, en schizofrenie. Als de onoplettendheid voor het eerst op latere leeftijd optreedt, is het vooral belangrijk te letten op de mogelijke etiologische rol van een geneesmiddel, drugs of een somatische aandoening.

Als de onoplettendheid ernstig is en gepaard gaat met andere cognitieve of zintuiglijke symptomen (bijvoorbeeld desoriëntatie, hallucinaties), moet gedacht worden aan de classificatie delirium. Het hoofdkenmerk van een delirium is een stoornis in het bewustzijn en de aandacht — de patiënt is niet in staat om zijn externe omgeving goed in te schatten of er adequaat op te reageren, om irrelevante stimuli weg te filteren en om instructies op te volgen of vragen te beantwoorden. Aangezien een delirium vaak een medische spoedsituatie betreft, is het cruciaal om de onderliggende etiologische factoren te vinden (en deze daarna te herstellen); mogelijk houden deze verband met een somatische aandoening, middelengebruik (met inbegrip van bijwerkingen van medicatie) of een combinatie hiervan.

Verhoogde afleidbaarheid is zelden het meest op de voorgrond tredende symptoom, behalve bij de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en het delirium. De afweging van de differentiële diagnostiek hangt af van de bijkomende kenmerken (bijvoorbeeld verhoogde stemming bij een manische episode, excessieve angst en bezorgdheid bij de gegeneraliseerde-angststoornis, aanhoudende psychosesymptomen bij schizofrenie). Daarnaast is het altijd nuttig om vast te stellen of de patiënt psychosociale stressoren heeft ervaren die zijn afleidbaarheid kunnen veroorzaken of verergeren.

Ten slotte is niet iedereen even goed in staat om externe stimuli uit de omgeving weg te filteren. Bovendien kunnen de soort en de intensiteit van de stimuli in een bepaalde omgeving iemands vermogen om de aandacht vast te houden vergroten of verminderen. Of bij een bepaalde uiting van verhoogde afleidbaarheid moet worden gedacht aan een psychische stoornis dan wel een normale variatie, hangt af van de ernst en de hardnekkigheid en in hoeverre de verhoogde afleidbaarheid klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaakt.

Naar de vragenlijst

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.