Tijdens de kindertijd en de adolescentie komt het maar al te vaak voor dat kinderen zwak presteren op school. Aan de ene kant moeten clinici er zeker niet van uitgaan dat er bij iedere leerling of student een psychische stoornis aan de zwakke prestaties ten grondslag ligt. Aan de andere kant hebben de meeste (of misschien wel alle) psychische stoornissen bij kinderen over het algemeen een negatieve uitwerking op hun schoolprestaties, en zijn problemen op school vrijwel altijd de belangrijkste klacht.
Het onderzoek naar de oorzaak van zwakke schoolprestaties omvat doorgaans een algemene IQ-test en een onderzoek naar deficiënties in bepaalde schoolse vaardigheden (bijvoorbeeld lezen, rekenen, schrijven, taalproductie en taalbegrip). Voordat uiteindelijk de DSM-5-classificatie neurobiologische ontwikkelingsstoornis mag worden toegekend, moeten de leer- of communicatieproblemen substantieel en kwantificeerbaar lager zijn dan wat gezien de leeftijd van de betrokkene kan worden verwacht, en moeten deze problemen het schoolse en sociale functioneren en het functioneren in eventueel werk in hoge mate negatief beïnvloeden. De volgende stap is een zorgvuldig onderzoek naar de aanwezigheid van de diverse psychische stoornissen die hebben bijgedragen aan de zwakkere schoolprestaties. Dit onderzoek bestaat uit een zorgvuldige anamnese (aangevuld met informatie van ouders, leerkrachten en de kinderarts), een klinische observatie en een beoordeling van de rol van middelengebruik. Is er bijvoorbeeld sprake van significante tekorten in het sociale gebruik van verbale en non-verbale communicatie (zoals bij de autismespectrumstoornis en de sociale (pragmatische) communicatiestoornis)? Zijn er klinisch significante verschijnselen van onoplettendheid en/of hyperactief-impulsief gedrag in twee of meer situaties (zoals bij de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis)? Komen er geregeld oncontroleerbare woede-uitbarstingen voor, met onderliggend een aanhoudende boosheid en prikkelbaarheid (zoals bij de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis)? Is er een patroon van antisociale gedragingen als spijbelen (zoals bij de normoverschrijdend-gedragsstoornis)? Weigert het kind naar school te gaan omdat hij of zij een scheiding van een hechtingspersoon niet aankan (zoals bij de separatieangststoornis)? Is er sprake van een klinisch significante sombere stemming (zoals bij een depressieve stoornis)? Aangezien neurobiologische ontwikkelingsstoornissen vaak gelijktijdig met andere psychische stoornissen optreden, is het van belang om alle mogelijkheden in de beslisboom te overwegen (hiervoor kan het noodzakelijk zijn de beslisboom meer dan eens te doorlopen) en om alle classificaties die van toepassing zijn toe te kennen.
De aanwezigheid van een psychische stoornis betekent niet noodzakelijk dat deze ook de oorzaak is van de problematische schoolprestaties. Ook andere factoren (bijvoorbeeld slechte werkgewoonten, overmatig tv-kijken of gamen, gebrek aan motivatie, slecht onderwijs, een storende thuis- of woonomgeving) kunnen een belangrijke rol spelen. Soms is de psychische stoornis (bijvoorbeeld een aanpassingsstoornis, oppositionele-opstandige stoornis, depressieve stoornis) niet zozeer de oorzaak als wel het gevolg van de zwakke schoolprestaties.