Psychosociale stressoren zijn belangrijk in de etiologie van alle DSM-5-stoornissen, maar voor slechts enkele stoornissen geldt dat die stressoren als specifieke oorzaak een definiërend kenmerk zijn. Vier stoornissen in de DSM-5 kunnen alleen als classificatie worden toegekend als de betrokkene is blootgesteld aan een extreme stressor: de posttraumatische-stressstoornis, de acute stressstoornis, de reactieve hechtingsstoornis en de ontremd-sociaalcontactstoornis. De posttraumatische-stressstoornis wordt alleen toegekend als er sprake is van blootstelling aan een gebeurtenis met een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld, en wordt gekenmerkt door persisterende intrusieve symptomen die samenhangen met de psychotraumatische gebeurtenis (bijvoorbeeld intrusieve herinneringen aan de gebeurtenis, onaangename dromen, flashbacks, lijden onder blootstelling aan prikkels die aan de gebeurtenis herinneren), vermijding van prikkels die met de gebeurtenis te maken hebben, negatieve veranderingen in cognities en stemming gerelateerd aan de gebeurtenis (bijvoorbeeld negatieve overtuigingen over zichzelf en de wereld, vertekend schuldgevoel of het beschuldigen van anderen, gevoelens van onthechting, een persisterende negatieve toestand, het onvermogen om positieve emoties te ervaren) en opvallende veranderingen in reactiviteit en arousal. Het symptoomprofiel van de acute stressstoornis lijkt sterk op dat van de posttraumatische-stressstoornis, behalve dat bij de eerste de symptomen korter dan één maand bestaan. Voor de classificatie reactieve hechtingsstoornis en ontremd-sociaalcontactstoornis is langdurige blootstelling aan extreme vormen van ontoereikende verzorging op jonge leeftijd een voorwaarde, bijvoorbeeld in de vorm van het herhaaldelijk wisselen van primaire verzorgers of opgroeien in een instelling met te weinig of slecht opgeleid personeel.
Ook de kortdurende psychotische stoornis, dissociatieve amnesie en de conversiestoornis (functioneel-neurologisch-symptoomstoornis) ontwikkelen zich vaak in reactie op een ernstige psychosociale stressor, al is de aanwezigheid van een dergelijke stressor in de definitie van de stoornis geen voorwaarde. Een classificatie kortdurende psychotische stoornis is van toepassing als zich in reactie op een extreme stressor psychosesymptomen ontwikkelen die korter duren dan één maand. Als de betrokkene niet in staat is zich belangrijke autobiografische informatie in verband met een psychotraumatische ervaring te herinneren, is de classificatie dissociatieve amnesie een mogelijkheid. Als de betrokkene als reactie op een stressor symptomen ontwikkelt met veranderingen in de willekeurige motoriek of de zintuiglijke waarneming die niet stroken met een erkende neurologische aandoening, is de classificatie conversiestoornis van toepassing. Hoewel het ontstaan van elk van deze stoornissen vaak samenhangt met blootstelling aan een psychotraumatische stressor, kunnen al deze aandoeningen ook ontstaan zonder dat hiervan sprake is.
Bij clinici bestaat vaak verwarring over de relatie tussen de aanpassingsstoornissen en de andere aandoeningen in de DSM-5 met ook vaak een psychosociale stressor als precipiterende factor. De classificatie aanpassingsstoornis wordt toegekend aan die beelden waarin de maladaptieve reactie op de stressor weliswaar klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaakt, maar onder de drempel van de criteria voor een specifieke DSM-5-stoornis blijft. Als daarentegen wel wordt voldaan aan de criteria voor een specifieke DSM-5-stoornis, wordt die classificatie toegekend, ongeacht de aan- of afwezigheid van stressoren die met het ontstaan ervan samenhangen. Stel bijvoorbeeld dat iemand die zijn baan verliest of te horen krijgt dat hij een ernstige ziekte heeft, hierop reageert met depressiviteit, dan is de classificatie depressieve stoornis als die reactie voldoet aan de volledige criteria voor een depressieve episode. Een minder ernstige, maar desal niettemin klinisch significante depressieve reactie kan dan de classificatie aanpassingsstoornis met sombere stemming krijgen.
Tot slot: sommige mensen ontwikkelen in reactie op het verlies van een dierbare een persisterende, langdurige en abnormale rouwreactie, die de naam persisterende complexe rouwstoornis heeft gekregen (zie ‘Aandoeningen die verder onderzoek behoeven’ in deel III van de DSM-5). Bij deze stoornis is sprake van minstens twaalf maanden met symptomen als een kwellend verlangen naar de overledene, intens verdriet, en een preoccupatie met de overledene en de omstandigheden van zijn of haar dood. Hoewel er ongetwijfeld mensen met deze stoornis zullen zijn die baat zouden hebben bij een behandeling, was de inschatting van de makers van de DSM-5 dat er onvoldoende onderzoeksgegevens bestaan over de specifieke aspecten van de definitie om opname van de stoornis in de DSM-5 te rechtvaardigen. Clinici die deze classificatie willen toekennen, moeten gebruikmaken van de classificatie andere gespecificeerde psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornis, met als specificatie persisterende complexe rouwstoornis.