Geheugenverlies bestaat uit moeite hebben met het aanmaken van nieuwe herinneringen en/of het oproepen van reeds bestaande herinneringen. De diverse aspecten van de geheugenfunctie kunnen afzonderlijk worden getest. Deze aspecten zijn: (1) registratie (het vermogen van de patiënt om getallen of woorden te herhalen onmiddellijk na het horen ervan), (2) het kortetermijngeheugen (het vermogen van de patiënt om na een periode van enkele minuten de namen te herhalen van drie voorwerpen die niets met elkaar te maken hebben), (3) herkenning (het vermogen van de patiënt om zich namen die hij of zij eerst was vergeten na het krijgen van hints weer te herinneren), (4) het langetermijngeheugen (het vermogen van de patiënt om zich belangrijke persoonlijke of historische gebeurtenissen te herinneren). De beslissingen in de differentiële diagnostiek van deze beslisboom gaan over de vraag of de oorzaak van het geheugenverlies ligt in het directe fysiologische effect op het centrale zenuwstelsel van het gebruik van een middel/medicatie of een somatische aandoening, of het geheugenverlies een bijkomend kenmerk is van een andere psychische stoornis, of dat er sprake is van een dissociatief verschijnsel (bijvoorbeeld bij de posttraumatische-stressstoornis of een dissociatieve stoornis).
Een beperking in de geheugenfuncties is een van de typen cognitieve beperkingen die kenmerkend zijn voor een delirium en een uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis. Het hoofdkenmerk van een delirium is een wisselende bewustzijnsdaling, gekenmerkt door een verminderde oriëntatie op de omgeving en een stoornis in de aandacht (d.w.z. een verminderd vermogen om de aandacht te sturen, te richten, vast te houden en te verplaatsen). De definitie van een delirium vereist daarnaast de aanwezigheid van een stoornis in de cognitieve functies (die de vorm kan aannemen van een beperking op het vlak van het geheugen, de taal, de visuospatiële vaardigheden of de waarneming). Een neurocognitieve stoornis wordt gedefinieerd als een achteruitgang in één of meer cognitieve domeinen, die in de DSM-5 worden gespecificeerd als de complexe aandacht, de executieve functies, leervermogen en geheugen, taal, het perceptueel-motorische of sociaal-cognitieve domein. Hoewel dit soort cognitieve beperkingen zich in feite voordoet op een continuüm, een glijdende schaal, is deze dimensie in de DSM-5 gesplitst in twee categoriale stoornissen: de uitgebreide neurocognitieve stoornis en de beperkte neurocognitieve stoornis. De uitgebreide neurocognitieve stoornis wordt gekenmerkt door een significante achteruitgang in de cognitieve functies die dusdanig ernstig is dat ze het zelfstandig functioneren in de weg staan. Bij de beperkte neurocognitieve stoornis blijft de cognitieve achteruitgang beperkt tot niet meer dan een ‘bescheiden’ mate van ernst. De classificatie wordt toegekend als de betrokkene, een informant die de betrokkene goed kent of uzelf een lichte achteruitgang opmerkt in het cognitieve functioneren van de betrokkene; deze achteruitgang moet gepaard gaan met aanwijzingen voor een bescheiden beperking in de cognitieve prestaties, bij voorkeur gedocumenteerd aan de hand van gestandaardiseerde neuropsychologische tests of een ander kwantitatief klinisch meetinstrument.
Geheugenstoornissen bij middelengebruik kunnen tijdelijk zijn (zoals bij classificaties intoxicatie door een middel, onttrekkingssyndroom van een middel, delirium door intoxicatie door een middel of delirium door onttrekking van een middel, en ‘andere bijwerkingen van medicatie’) of persisterend (zoals bij de uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie, waarvoor als vereiste geldt dat de cognitieve beperkingen aanhouden na de duur van de acute intoxicatie of onttrekking).
Geheugenstoornissen zijn verder een bijkomend kenmerk van een aantal veelvoorkomende psychische stoornissen. Geheugenstoornissen in het kader van een depressieve episode kunnen bijvoorbeeld zo ernstig zijn dat ze lijken op een onomkeerbaar dementieproces. Pas als de geheu genstoornissen verdwijnen na een behandeling met antidepressiva, wordt vaak duidelijk dat er geen sprake was van een comorbide uitgebreide neurocognitieve stoornis. Deze differentiële diagnostiek wordt nog verder gecompliceerd door het feit dat de medicatie (bijvoor- beeld lithium) die de patiënt gebruikt ook kan bijdragen aan de geheugenstoornissen.
Dissociatie is een verstoring van de gewoonlijk geïntegreerde functies van het bewustzijn, het geheugen, de identiteit of de perceptie van de omgeving. Geheugenverlies, vooral voor psychotraumatische gebeurtenissen, is een kenmerk van dissociatieve amnesie en de dissociatieve identiteitsstoornis, evenals van de posttraumatische-stressstoornis en de acute stressstoornis. Vooral bij mensen die zijn blootgesteld aan een gebeurtenis die zowel fysiek als psychisch traumatisch is (bijvoorbeeld een auto-ongeluk) kan het lastig zijn om te ontrafelen of het geheugenverlies een psychologische reactie op de gebeurtenissen is of het gevolg van directe schade aan de hersenen. Verder kan in forensische settings een verdachte geheugenverlies veinzen om verantwoordelijkheid te ontlopen. In dat soort gevallen ligt de ‘nagebootste stoornis’ of ‘simuleren’ voor de hand, waarbij de classificatie nagebootste stoornis wordt toegekend als het geveinsde geheugenverlies ook kan worden aangetoond als duidelijke externe beloningen ontbreken. Wanneer dit niet het geval is, wordt er gesproken van simuleren (dat niet als een psychische stoornis wordt beschouwd).
Verder moet nog worden opgemerkt dat voor bijna iedereen geldt dat we zouden willen dat ons geheugen beter is dan het is, en dat deze wens nog sterker wordt naarmate we ouder worden en er meer moeite mee gaan krijgen om iets uit het geheugen op te roepen. Voordat de stoornissen in deze beslisboom worden overwogen, moet dan ook worden vastgesteld of het geheugenverlies ernstig genoeg is om klinisch significant te kunnen worden genoemd, en ernstiger dan te verwachten valt op grond van het eerdere functioneren van het geheugen en de normen geldend voor de leeftijd van de betrokkene.